En als hij uit de boot komt, loopt meteen vanuit de graven een mens hem tegemoet met een onreine geest,
3
die zijn behuizing heeft gehad in de graven; zelfs met een ketting is niemand meer bij machte geweest hem te binden,
4
want hij werd vaak genoeg met voetboeien en kettingen vastgebonden, en dan werden de kettingen door hem kapotgetrokken en de voetboeien vertrapt, en niemand was sterk genoeg om hem te bedwingen.
5
En alle nacht en dag door is hij in de graven en in de bergen aan het krijsen geweest en heeft hij zich geslagen met stenen.
6
Als hij Jezus ziet, van verre, rent hij (op hem af) en brengt hem hulde;
7
krijsend zegt hij met grote stem: ‘wat is er tussen mij en jou’ (1 Kon. 17,18), Jezus, zoon van God de Allerhoogste?– ik bezweer je bij God, kwel mij niet!
8
Want Jezus hééft tot hem gezegd: kom eruit, onreine geest, uit deze mens!
9
Als hij hem gevraagd heeft ‘wat is je naam?’, zegt hij tot hem: ‘legioen’ is mijn naam, omdat wij met velen zijn!
10
En met vele dingen heeft hij hem te hulp geroepen dat hij hen niet zou uitzenden naar buiten de streek.