Instellingen

1


Ze komen aan bij de overkant van de zee,

in de streek van de Gerasenen.

2


En als hij uit de boot komt,

loopt meteen vanuit de graven
een mens hem tegemoet
met een onreine geest,

3


die zijn behuizing heeft gehad

in de graven;
zelfs met een ketting is niemand meer
bij machte geweest hem te binden,

4


want hij werd vaak genoeg

met voetboeien en kettingen vastgebonden,
en dan werden de kettingen door hem
kapotgetrokken
en de voetboeien vertrapt,
en niemand was sterk genoeg
om hem te bedwingen.

5


En alle nacht en dag door

is hij in de graven en in de bergen
aan het krijsen geweest
en heeft hij zich geslagen met stenen.

6


Als hij Jezus ziet, van verre,

rent hij (op hem af)
en brengt hem hulde;

7


krijsend zegt hij met grote stem:

‘wat is er tussen mij en jou’ (1 Kon. 17,18),
Jezus, zoon van God de Allerhoogste?–
ik bezweer je bij God,
kwel mij niet!

8


Want Jezus hééft tot hem gezegd:

kom eruit, onreine geest, uit deze mens!

9


Als hij hem gevraagd heeft

‘wat is je naam?’,
zegt hij tot hem: ‘legioen’ is mijn naam,
omdat wij met velen zijn!

10


En met vele dingen heeft hij

hem te hulp geroepen
dat hij hen niet zou uitzenden
naar buiten de streek.