Nu is daar tegen de berg op een grote kudde zwijnen aan het weiden geweest;
12
zij roepen hem te hulp en zeggen: stuur ons naar de zwijnen, dat we bij hen binnenkomen!
13
Dat staat hij hun toe. De onreine geesten komen naar buiten en komen binnen bij de zwijnen; dan beweegt de kudde zich de helling af de zee in, zo’n tweeduizend, en ze zijn verstikt in de zee.
14
Die hen moesten weiden, vluchten en doen er kond van aan de stad en aan de akkers; die komen zien wat het is dat is geschied.
15
Als ze bij Jezus komen en aanschouwen dat de door demonen bezetene neerzit, gekleed en bij zinnen, hij die het legioen in zich gehad heeft, worden zij bevreesd.
16
Die het hebben gezien verhalen aan hen hoe is geschied aan de door demonen bezetene, en: over de zwijnen.
17
Dan beginnen ze hem te hulp te roepen dat hij wegkomt uit hun grenzen.
18
Als hij in de boot stapt roept hij die door demonen was bezeten hem te hulp dat hij bij hem mag zijn.
19
Hij laat hem niet toe, nee, hij zegt tot hem: ga heen, naar uw huis, tot de uwen, en verkondig hun hoeveel de Heer aan u heeft gedaan en hoezeer hij zich over u heeft ontfermd!
20
Hij gaat weg en begint in de Tienstad te prediken hoeveel Jezus aan hem heeft gedaan; en allen hebben zich verwonderd.