| 14 | Koning Herodes hoort (over hem), want zijn naam is openbaar geworden, en ze hebben wel gezegd: Johannes de Doper is opgewekt uit de doden en daardoor werken de krachten in hem!
| |
| 15 | Maar anderen hebben gezegd: het is Elia! Anderen hebben gezegd: een profeet als één van de profeten!
| |
| 16 | Maar toen Herodes over hem hoorde, heeft hij gezegd: die ík heb onthoofd, Johannes, díe is opgewekt!
| |
| 17 | Zelf immers heeft Herodes (mensen) uitgezonden, Johannes overmeesterd en hem gebonden gehouden in een bewaking, vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, omdat hij haar gehuwd heeft.
| |
| 18 | Want Johannes had tot Herodes gezegd: dat mag u niet, de vrouw van uw broer hebben!
| |
| 19 | Maar Herodias heeft dat tegen hem gehad, heeft hem willen doden, en is daartoe niet bij machte geweest;
| |
| 20 | want Herodes is bevreesd geweest voor Johannes; beseffend dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hij heeft hem beschermd; als hij hem hoorde was hij veelvuldig in verlegenheid; evenwel hoorde hij hem gaarne.
| |
| 21 | En als een dag van goed moment aanbreekt, wanneer Herodes voor zijn genesisfeesten een maaltijd klaarmaakt voor zijn grootsten, de oversten over duizend en de eersten van Galilea,
| |
| 22 | en de dochter van haar, Herodias, binnenkomt en danst, behaagt zij Herodes en die met hem aanliggen. De koning zegt tot het meisje: vraag mij wat je ook wilt, en ik zal het je geven!
| |
| 23 | Hij bezwéért haar: wat je ook vraagt zal ik je geven, ‘tot de helft van mijn koninkrijk’
(Est. 5,3-6; 7,2)!
| |
| 24 | Als zij naar buiten komt zegt zij tot haar moeder: wat zal ik vragen? En die zegt: het hoofd van Johannes de Doper!
| |
| 25 | En meteen komt zij met haast bij de koning binnen en stelt haar vraag; ze zegt: ik wil dat u mij onmiddellijk geeft, op een bord, het hoofd van Johannes de Doper!
| |
| 26 | De koning wordt zeer bedroefd, maar vanwege zijn bezweringen en hen die aanliggen, wil hij haar niet afwijzen.
| |
| 27 | Meteen zendt de koning een lijfwacht uit en draagt hem op om zijn hoofd te brengen. Die gaat weg en onthoofdt hem in de bewaking;
| |
| 28 | hij brengt zijn hoofd, op een bord, en geeft het aan het meisje, en het meisje geeft het aan haar moeder.
| |
| 29 | Zijn leerlingen horen ervan, komen, halen zijn lijk op en leggen dat in een graf.
| |