Ze brengen hem een dove, die ook moeilijk spreekt, en roepen hem erbij, opdat hij hem de hand zal opleggen.
33
Hij neemt hem uit de schare, in afzondering, ‘werpt’ zijn vingers in zijn oren, spuugt en grijpt zijn tong vast;
34
hij kijkt omhoog naar de hemel, slaakt een zucht, en zegt tot hem: effatha, dat is: word geopend!
35
En geopend worden ze, zijn oren, en meteen schiet de band om zijn tong los, en hij heeft rechtuit gesproken.
36
Hij gebiedt hun aan niemand iets te zeggen; maar hoe meer hij hun het heeft geboden des te meer hebben zij het des te overvloediger gepredikt
37
en in hoogste overvloed uit het veld geslagen hebben zij gezegd: ‘alles heeft hij welgedaan, hij doet ook de doven horen en de sprakelozen spreken!’ (Jes. 35,5.6)