Hij neemt de blinde bij de hand en als hij hem buiten het dorp heeft gebracht, spuugt hij in zijn ogen, legt hem de handen op en vraagt hem: kun je al kijken?
24
Hij kijkt op, en heeft gezegd: ik bekijk de mensen, omdat ik (ze) zie als bomen,- die rondwandelen!
25
Vervolgens legt hij wéér de handen op zijn ogen, en (nu) kijkt hij scherp en is hersteld, hij is alles tot in de verte helder gaan aankijken.
26
Hij zendt hem uit, naar zijn huis, en zegt: als je maar niet in het dorp komt!
27
Dan komt Jezus met zijn leerlingen naar buiten, naar de dorpen van Caesarea Filippi; onderweg heeft hij zijn leerlingen een vraag gesteld en tot hen gezegd: wie zeggen de mensen dat ik ben?
28
En zij zeggen tot hem, zij zeggen: Johannes de Doper, en anderen: Elia, maar anderen: een van de profeten!
29
En zelf heeft hij hun de vraag gesteld: maar wie zegt gíj dat ik ben? Ten antwoord zegt Petrus tot hem: ú bent de Gezalfde!