| 14 | Als zij bij de leerlingen aankomen zien ze een veelkoppige schare om hen heen en schriftgeleerden met hen samen aan het zoeken.
| |
| 15 | En heel de schare,- meteen als ze hem zien zijn ze helemaal verbaasd; toehollend hebben ze hem begroet.
| |
| 16 | En hij stelt hun de vraag: waarover zijt ge samen met hen aan het zoeken?
| |
| 17 | Eén uit de schare antwoordt hem: leermeester, ik bracht mijn zoon naar u toe die een geest heeft die maakt dat hij niet praat;
| |
| 18 | wanneer die hem in bezit neemt, waar dan ook, verscheurt hij hem, en híj schuimbekt en knarst met de tanden en verschrompelt; ik zei tot uw leerlingen dat ze hem moesten uitwerpen, en ze waren niet sterk genoeg!
| |
| 19 | Ten antwoord zegt hij tot hen: o generatie zonder geloof, tot wanneer moet ik bij u zijn, tot wanneer moet ik het met u uithouden?- brengt hem bij mij!
| |
| 20 | Zij brengen hem bij hem. Meteen als de geest hem ziet laat hij hem stuiptrekken; hij valt op de grond en is schuimbekkend heen en weer gaan rollen.
| |
| 21 | Hij vraagt aan zijn vader: hoe lange tijd is het al dat dit zó aan hem geschied is? En hij zegt: van kindsbeen af!,
| |
| 22 | en veelvuldig ook heeft hij hem én in vuur geworpen én in wateren, om hem om te brengen; nee, als u iets bij machte bent, help ons dan, wees over ons bewogen!
| |
| 23 | Maar Jezus zegt tot hem: over dat ‘als u bij machte bent’,- alles is mogelijk voor wie gelooft!
| |
| 24 | Meteen heeft de vader van het jongetje met een schreeuw gezegd: ik gelóóf!- help mij in mijn ongeloof!
| |
| 25 | Maar Jezus ziet dat er (al) een schare te hoop loopt en bestraft de onreine geest door tot hem te zeggen: jij geest van niet-kunnen-praten en doofheid, ík draag jóu op: kom uit hem vandaan en kom niet meer bij hem binnen!
| |
| 26 | En schreeuwend en veelvuldig stuiptrekkend komt hij naar buiten, en hij wordt als een dode, zodat velen zeggen ‘hij is gestorven!’
| |
| 27 | Maar Jezus grijpt zijn hand vast en wekt hem op, en hij staat op.
| |
| 28 | Hij komt een huis binnen en in afzondering hebben zijn leerlingen hem gevraagd: dat wij niet bij machte zijn geweest hem uit te werpen!
| |
| 29 | Hij zegt tot hen: dit soort is door niets bij machte naar buiten te komen, behalve door gebed!
| |