Instellingen

2


Zes dagen hierna

neemt Jezus
Petrus, Jakobus en Johannes mee
en voert hen omhoog naar een steile berg,
op zichzelf, (zij) alleen.
Vóór hen wordt hij veranderd
van gedaante,

3


en zijn klederen worden glanzend,

zéér wit,
zo wit als geen voller op de aarde
(ze) vermag te maken.

4


En aan hen laat Elia zich zien,

samen met Mozes;
zij zijn samensprekend met Jezus geweest.

5


Ten antwoord zegt Petrus tot Jezus:

rabbi, hoe goed is ‘t ons om hier te zijn!,
laten wij drie tenten maken:
voor u een, voor Mozes een
en voor Elia een!

6


Want hij heeft niet geweten

wat te antwoorden,-
want ze geraken* Letterlijk: geschieden. buitengewoon
bevreesd.

7


En het geschiedt

dat een wolk hen overschaduwt,
en er geschiedt
een stem vanuit de wolk:
dit is mijn beminde zoon,
hoort naar hem!

8


Maar als zij om zich heen kijken

zien zij ineens niemand meer
dan alleen Jezus bij hen.

9


Terwijl zij uit het gebergte afdalen

gebiedt hij hun
om aan niemand te vertellen
wat zij hebben gezien,
‘behalve wanneer de mensenzoon
uit doden zal opstaan’.

10


Dat woord houden zij vast, bij elkaar

er samen naar zoekend wat het is,
dat ‘uit doden opstaan’.