Zes dagen hierna neemt Jezus Petrus, Jakobus en Johannes mee en voert hen omhoog naar een steile berg, op zichzelf, (zij) alleen. Vóór hen wordt hij veranderd van gedaante,
en zijn klederen worden glanzend, zéér wit, zo wit als geen voller op de aarde (ze) vermag te maken.
4
En aan hen laat Elia zich zien, samen met Mozes; zij zijn samensprekend met Jezus geweest.
5
Ten antwoord zegt Petrus tot Jezus: rabbi, hoe goed is ‘t ons om hier te zijn!, laten wij drie tenten maken: voor u een, voor Mozes een en voor Elia een!
6
Want hij heeft niet geweten wat te antwoorden,- want ze geraken* Letterlijk: geschieden. buitengewoon bevreesd.
7
En het geschiedt dat een wolk hen overschaduwt, en er geschiedt een stem vanuit de wolk: dit is mijn beminde zoon, hoort naar hem!
8
Maar als zij om zich heen kijken zien zij ineens niemand meer dan alleen Jezus bij hen.
9
Terwijl zij uit het gebergte afdalen gebiedt hij hun om aan niemand te vertellen wat zij hebben gezien, ‘behalve wanneer de mensenzoon uit doden zal opstaan’.
10
Dat woord houden zij vast, bij elkaar er samen naar zoekend wat het is, dat ‘uit doden opstaan’.