Dan zegt Zacharias tot de aankondig-engel: ‘waaraan zal ik dit wéten?’ (Gen. 15:8), want ik ben oud, en ook mijn vrouw is ver heen met haar levensdagen!
Ten antwoord zegt de aankondig-engel tot hem: ik, ik ben Gabriël die voor Gods aanschijn staat en ik ben uitgezonden om tot jou te spreken en je dit alles aan te kondigen;
20
zie, je zult zwijgen, je zult niet kunnen spreken tot op de dag dat dit alles geschiedt,- daarvoor dat je geen geloof gehecht hebt aan mijn woorden die vervuld zullen worden als het hun moment is!
21
De gemeenschap is in afwachting geweest van Zacharias; en zij hebben zich verwonderd dat hij zo lang in de tempel is.
22
Maar toen hij naar buiten kwam heeft hij niet tot hen kunnen spreken, en dan herkennen ze dat hij in de tempel een gezicht gezien heeft; hij heeft hun toegewenkt en is stom gebleven.
23
Het geschiedt: met dat de dagen van zijn eredienst vervuld zijn gaat hij heen, naar zijn huis;
24
maar ná deze dagen ontvangt zijn vrouw, Elisabet; zij verbergt zich vijf maanden, zeggend:
25
zo heeft de Heer aan mij gedaan!- in de dagen waarin hij heeft toegezien om mijn smaad bij de mensen weg te nemen.