Instellingen

18


Dan zegt Zacharias tot de aankondig-engel:

‘waaraan zal ik dit wéten?’ (Gen. 15:8),
want ik ben oud, en ook mijn vrouw
is ver heen met haar levensdagen!

19


Ten antwoord

zegt de aankondig-engel tot hem:
ik, ik ben Gabriël
die voor Gods aanschijn staat
en ik ben uitgezonden om tot jou te spreken
en je dit alles aan te kondigen;

20


zie, je zult zwijgen,

je zult niet kunnen spreken
tot op de dag dat dit alles geschiedt,-
daarvoor dat je geen geloof gehecht hebt
aan mijn woorden
die vervuld zullen worden
als het hun moment is!

21


De gemeenschap is in afwachting geweest

van Zacharias;
en zij hebben zich verwonderd
dat hij zo lang in de tempel is.

22


Maar toen hij naar buiten kwam

heeft hij niet tot hen kunnen spreken,
en dan herkennen ze dat hij
in de tempel een gezicht gezien heeft;
hij heeft hun toegewenkt
en is stom gebleven.

23


Het geschiedt:

met dat de dagen
van zijn eredienst vervuld zijn
gaat hij heen, naar zijn huis;

24


maar ná deze dagen

ontvangt zijn vrouw, Elisabet;
zij verbergt zich vijf maanden, zeggend:

25


zo heeft de Heer aan mij gedaan!-

in de dagen waarin hij heeft toegezien
om mijn smaad bij de mensen
weg te nemen.