tot een maagd in ondertrouw met een man wiens naam is Jozef uit het huis van David; de naam van de maagd is Maria.
28
Maar binnengekomen bij haar zegt hij: verheug je, begenadigde, de Heer is met je!- een gezegende ben je onder de vrouwen!
29
Maar zij is door deze uitspraak zeer geschokt en heeft bij zichzelf besproken wat deze begroeting betekent.
30
De aankondig-engel zegt tot haar: vrees niet, Maria, want je hebt genade gevonden bij God;
31
zie, je zult in je schoot ontvangen en bevallen van een zoon en als zijn naam uitroepen: Jezus,-
32
hij zal groot zijn en als ‘zoon van de Allerhoogste’ worden aangeroepen; de Heer God zal hem geven de troon van zijn vader David;
33
hij zal koning zijn over het huis van Jakob tot in de eeuwigheden, en aan zijn koningschap zal geen grens zijn!
34
Maar Maria zegt tot de aankondig-engel: hoe zal dit zijn, daar ik geen man beken?
35
Ten antwoord zegt de aankondig-engel tot haar: heilige geestesadem zal over je komen, kracht van de Allerhoogste zal je overschaduwen; daarom zal wat gebaard wordt heilig genoemd worden, zoon van God;
36
en zie, Elisabet, van gelijke geboorte met jou, ook zij heeft een zoon ontvangen, in haar ouderdom,- het is nu de zesde maand voor haar over wie ‘onvruchtbaar’ werd geroepen;
37
want ‘geen woord van bij God zal machteloos zijn’ (Gen. 18,14)!
38
Maar dan zegt Maria: ziehier de dienares van de Heer; mij geschiede zoals door u gezegd! Dan gaat de aankondig-engel bij haar weg.