Maar hij heeft tot hen gezegd: de oogst is overvloedig maar de werkers zijn met weinig; bidt daarom de heer van de oogst dat hij werkers uitwerpt naar zijn oogst;
3
gaat heen!- zie, ik zend u uit als lammeren te midden van wolven;
4
torst geen geldzak mee, geen ransel, geen schoenen; groet niemand langs de weg;
5
maar waar ge ook maar een huis binnenkomt,- zegt eerst: vrede voor dit huis!-
6
en als daar een ‘zoon van vrede’ is, dan zal uw vrede op hem rusten; maar zoniet, dan zal zij naar u terugbuigen;
7
maar verblijft in dat huis en eet en drinkt wat er bij hen is, want wie werkt is zijn loon wel waard; loopt niet van huis naar huis;
8
elke stad waar ge binnenkomt en ze u verwelkomen,- eet de dingen die u worden voorgezet; geneest de zieken in haar
9
en zegt tot hen: het koningschap van God is u genaderd!-
10
maar elke stad waar ge binnenkomt en ze u niet verwelkomen komt naar buiten, haar straten op, en zegt:
11
zelfs het stof dat ons uit uw stad aan de voeten kleeft schudden we voor u af!- weet evenwel dít: dat het koningschap van God is genaderd!-
12
ik zeg u dat het te dien dage voor Sodom beter uit te houden zal zijn dan voor die stad;