Instellingen

1


Het geschiedt:

hij is in zomaar een oord
aan het bidden.
Zodra hij ophoudt
zegt zomaar een van zijn leerlingen
tot hem:
heer, leer ons te bidden,
zoals ook Johannes
zijn leerlingen geleerd heeft!

2


Maar hij zegt tot hen:

wanneer ge in gebed gaat,
zegt dan:
Vader, geheiligd worde uw naam,
kome uw koninkrijk!-

3


ons nodige brood,

geef ons dat dagelijks;

4


en vergeef ons onze zonden,

want ook zelf vergeven we
al wie in de schuld staat bij ons;
en breng ons niet in beproeving!

5


Hij zegt tot hen:

zomaar iemand van u
zal een vriend hebben
die midden in de nacht
doorreist tot bij hem en tot hem zegt:
vriend, leen mij drie broden,

6


daar een vriend van mij

op z’n weg bij mij aanlandt
en ik niets heb om hem voor te zetten!-

7


en hij antwoordt van binnen uit

en zegt: val me niet zo lastig,
de poortdeur is al gesloten
en m’n knechtjes zijn met mij naar bed,-
ik ben niet bij machte
op te staan en het aan jou te geven!-

8


ik zeg u:

ook als hij niet opstaat
om het aan hem te geven
omdat hij een vriend van hem is,
toch zal hij, door zijn brutale vraag
wakker geworden,
aan hem geven zoveel hij nodig heeft!-

9


ook ík zeg u: vraagt

en aan u zal gegeven worden,
zoekt en ge zult vinden;

10


klopt en voor u zal worden opengedaan!-

want al wie vraagt mag nemen
en wie zoekt vindt,
en voor wie klopt zal worden opengedaan!-

11


maar: van zomaar één uit u

zal de zoon de vader vragen
om een vis,- die zal hem toch niet
in plaats van een vis een adder geven?-

12


of als hij om een ei zal vragen,

zal hij hem een schorpioen geven?-

13


als dan gij, boosaardig als ge zijt,

goede gaven weet te geven aan uw kinderen,
hoeveel te meer zal de vader uit de hemel
heilige geestesadem geven
aan wie hem daarom vragen!

14


Hij is bezig geweest een demonie

uit te werpen;
en dat is er een van doofstomheid geweest;
maar het geschiedt:
als de demonie naar buiten komt
práát de stomme,-
tot verwondering van de scharen.

15


Maar zomaar-sommigen uit hen zeggen:

in eenheid met Beëlzeboel,
de overste van de demonieën,
werpt hij de demonieën uit!

16


Maar anderen hebben,

om hem op de proef te stellen,
bij hem om een teken uit de hemel
gezocht.

17


Maar hij wéét wat hun overwegingen zijn

en zegt tot hen:
elk koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is
wordt een woestenij
en een huis valt op een huis;

18


maar als ook de satan

tegen zichzelf verdeeld raakt,
hoe zal diens koninkrijk
dan staande worden gehouden?-
omdat ge zegt
dat ik in eenheid met Beëlzeboel
de demonieën uitwerp!-

19


maar als ík in eenheid met Beëlzeboel

de demonieën uitwerp,-
uw zonen, één met wie werpen zíj ze uit?-
daarom zullen zíj uw oordelaars zijn!-

20


maar als ik één met de vinger Gods

de demonieën uitwerp,
dan is bij u
het koningschap van God verschenen;

21


wanneer wie sterk is

welbewapend zijn eigen hof bewaakt,
is wat hem behoort in vrede;

22


maar wanneer er iemand sterker dan hij

aankomt en hem overwint,
neemt die hem de wapenrusting af
waarop hij vertrouwde,
en wat hij op hem heeft buitgemaakt
geeft hij weg;

23


wie niet mét mij is, is tegen mij,

en wie niet met mij samenbrengt verstrooit;

24


wanneer de onreine geest

uitgaat van de mens,
gaat hij door oorden zonder water
en zoekt rust;
en als hij die niet vindt, zegt hij:
ik zal terugkeren naar mijn huis
waar ik ben uitgegaan!-

25


bij aankomst vindt hij het

geveegd en versierd;

26


dan trekt hij eropuit en neemt er

andere geesten bij,
boosaardiger dan hijzelf, een zevental;
die komen er binnen en houden er huis;
dan worden de laatste dingen
van die mens erger dan de eerste!

27


Maar het geschiedt als hij deze dingen zegt

dat zomaar een vrouw uit de schare
haar stem verheft en tot hem zegt:
zalig de schoot die jou heeft getorst
en de borsten waaraan jij hebt gezogen!

28


Maar hij zegt: jazeker,

zalig die het woord van God horen
en erover waken!

29


Maar als de scharen te hoop lopen

is het begin dat hij zegt:
deze generatie is een boosaardige generatie!-
een teken zoekt zij,
en zij zal geen ander teken
gegeven krijgen
dan het teken van Jona;

30


want zoals in Jona een teken is geschied

voor de Ninevieten,
zó zal ook de mensenzoon dat zijn
voor deze generatie;