Het geschiedt: hij is in zomaar een oord aan het bidden. Zodra hij ophoudt zegt zomaar een van zijn leerlingen tot hem: heer, leer ons te bidden, zoals ook Johannes zijn leerlingen geleerd heeft!
Maar hij zegt tot hen: wanneer ge in gebed gaat, zegt dan: Vader, geheiligd worde uw naam, kome uw koninkrijk!-
3
ons nodige brood, geef ons dat dagelijks;
4
en vergeef ons onze zonden, want ook zelf vergeven we al wie in de schuld staat bij ons; en breng ons niet in beproeving!
5
Hij zegt tot hen: zomaar iemand van u zal een vriend hebben die midden in de nacht doorreist tot bij hem en tot hem zegt: vriend, leen mij drie broden,
6
daar een vriend van mij op z’n weg bij mij aanlandt en ik niets heb om hem voor te zetten!-
7
en hij antwoordt van binnen uit en zegt: val me niet zo lastig, de poortdeur is al gesloten en m’n knechtjes zijn met mij naar bed,- ik ben niet bij machte op te staan en het aan jou te geven!-
8
ik zeg u: ook als hij niet opstaat om het aan hem te geven omdat hij een vriend van hem is, toch zal hij, door zijn brutale vraag wakker geworden, aan hem geven zoveel hij nodig heeft!-
9
ook ík zeg u: vraagt en aan u zal gegeven worden, zoekt en ge zult vinden;