Maar ook Jozef klimt op van Galilea, uit de stad Nazaret, naar Judea, naar de stad van David die Betlehem wordt geroepen, omdat hij is uit het huis en de vaderlijn van David,
5
om te worden ingeschreven samen met Maria, die aan hem uitgehuwelijkt is en zwanger is.
6
Maar het geschiedt als zij dáár zijn, dat de dagen vervuld zijn dat zij bevallen moet,
7
en zij bevalt van haar eerstgeboren zoon; zij wikkelt hem in doeken en legt hem omhoog in een kribbe, omdat er voor hen geen plaats is geweest in de herberg.
8
Er zijn in die landstreek herders geweest die in het open veld vertoevend door de nachtwaken heen waakten over hun kudde.
9
Dan staat een aankondig-engel van de Heer bij hen; glorie van de Heer omstraalt hen; ze worden bevreesd, in grote vrees.
10
De aankondig-engel zegt tot hen: vreest niet!, want zie, ik kondig u aan: grote vreugde, die voor heel de gemeenschap wezen zal:
11
voor u is heden geboren een redder; hij is een Gezalfde, Heer,- in de stad van David;