| 24 | Maar er geschiedt ook onenigheid onder hen, over wie van hen de grootste denkt te zijn.
| |
| 25 | Maar hij zegt tot hen: de koningen der volkeren spelen de heer over hen, en hun gezagsdragers laten zich tot weldoeners uitroepen;
| |
| 26 | maar gíj, niet zo!- nee, laat de grootste onder u als de jongste worden en wie aanvoert als wie bedient;
| |
| 27 | want wie is groter: wie aanligt of wie bedient?- níet wie aanligt!- ík ben in uw midden als degene die bedient!-
| |
| 28 | maar gíj zijt het die bij mij gebleven zijt in mijn beproevingen,
| |
| 29 | en ík verleen ik u, zoals mijn Vader mij verleend heeft, koningschap,
| |
| 30 | zodat ge in mijn koninkrijk zult eten en drinken aan mijn tafel, en gezeten op tronen de twaalf stammen van Israël zult oordelen;
| |
| 31 | Simon, Simon, zie, de satan heeft geëist jullie te mogen ziften als de tarwe;
| |
| 32 | maar ik heb voor je gebeden dat je geloof niet zal bezwijken; en als jij ooit omkeert, versterk dan je broeders-en-zusters!
| |
| 33 | Maar hij zegt tot hem: heer, met jóu ben ik bereid ook wachthok en dood in te gaan!
| |
| 34 | Maar hij zegt: ik zeg je, Petrus, er zal vandaag geen haan kraaien voordat je driemaal geloochend hebt dat je van mij weet!
| |
| 35 | Dan zegt hij tot hen: toen ik u uitzond zonder inwerpkist, reiszak en sandalen, zijt ge toen iets tekortgekomen? En zij zeggen: niets!
| |
| 36 | Maar hij zegt tot hen: nee, nu moet wie er een heeft een inwerpkist ophalen, evenzo een reiszak, en wie er geen heeft moet zijn kleed verkopen en een zwaard aanschaffen;
| |
| 37 | want ik zeg u dat dit wat geschreven staat in mij in vervulling moet gaan: ‘hij werd bij wettelozen gerekend’ (Jes. 53,12); want dat over mij heeft een voleinding!
| |
| 38 | Maar zij zeggen: heer, zie, twee zwaarden hier! Maar hij zegt tot hen: dat is voldoende!
| |