Het geschiedt op één van de dagen: hij is onderricht aan het geven en er zijn Farizeeërs en wetsonderrichters,- gezeten,- die zijn gekomen uit elk dorp van Galilea en Judea en Jeruzalem; en er is kracht van de Heer geweest, zodat hij kan helen.
Ziedaar: mannen die op een baar een mens meedragen die verlamd is, en ernaar hebben gezocht om hem binnen te brengen en voor zijn aanschijn te leggen.
19
Als ze, vanwege de schare, niet uitvinden hoe ze hem naar binnen kunnen brengen, klimmen ze het platte dak op en laten hem door de tegels heen met baar en al neer,- in het midden, vlak voor Jezus.
20
Bij het zien van hun geloof zegt hij: mens,- dat jou je zonden worden vergeven!
21
Dan beginnen de schriftgeleerden en de Farizeeërs hun bedenkingen te uiten; ze zeggen: wie is hij wel die godslasteringen uitspreekt?- wie heeft macht om zonden te vergeven dan God alleen?
22
Maar Jezus herkent hun bedenkingen en zegt ten antwoord tot hen: wat bedenkt ge in uw harten?-
23
wat is gemakkelijker: te zeggen dat jou je zonden worden vergeven óf te zeggen: waak op en wandel!?-
24
maar opdat ge zult weten dat de mensenzoon volmacht heeft op het aardland zonden te vergeven,- zegt hij tot de verlamde: jou zeg ik: ontwaak, neem je baar op en vertrek naar je huis!
25
En ineens staat hij op, voor hun aanschijn, neemt het op, dat waarop hij neerlag, en gaat weg naar zijn huis, God verheerlijkend!
26
Uitzinnigheid neemt allen in bezit en zij zijn God gaan verheerlijken; vervuld van vreze zeggen zij: té heerlijke dingen hebben wij heden gezien!