Instellingen

13


nemen ze de takken van de palmen

en komen naar buiten, hem tegemoet;
ze hebben geschreeuwd:
hosanna!-
gezegend hij die komt in naam van de Heer!-
de koning van Israël! (Ps. 118,26 en Ps. 89,19)

14


Maar Jezus vindt een ezeltje

en gaat daarop zitten,
zoals is geschreven:

15


Vrees niet, dochter Sions (Jes. 40,9),

zie, je koning komt,
gezeten op het veulen van een ezel (Zach. 9,9)!

16


Dit herkennen zijn leerlingen eerst niet,

echter, wanneer Jezus wordt verheerlijkt,
dan worden zij indachtig
dat deze dingen over hem zijn geschreven
en dat ze deze dingen
aan hem hebben gedaan.

17


De schare dan, die bij hem was

toen hij Lazarus uit de gedenkplaats riep
en opwekte uit de doden,
is gaan getuigen;

18


daarom gaat de schare hem ook tegemoet,

omdat ze horen
dat hij dit teken heeft gedaan.

19


Dan zeggen de Farizeeërs tot elkaar:

ge aanschouwt dat ge niets bereikt;
zie, de hele wereld gaat weg hem achterna!

20


Maar enkelen van hen die opklimmen

om te aanbidden op het feest
zijn Hellenen geweest;

21


die komen dan bij Filippus aan,

die van Betsaïda in Galilea,
en hebben hem de vraag gesteld en gezegd:
heer, wat wij willen is: Jezus zien!

22


Filippus komt en zegt het Andreas;

Andreas komt met Filippus mee
en zegt het Jezus.

23


Maar Jezus zegt in zijn antwoord tot hen:

gekomen is het uur
dat de mensenzoon verheerlijkt wordt

(Jes. 52,13);

24

amen, amen, ik zeg u:
als de graankorrel niet valt in de aarde
en sterft
dan blijft hij alléén;
maar als hij sterft
draagt hij overvloedig vrucht;

25


wie zijn lijf-en-ziel liefheeft

zal haar verliezen,
en wie in deze wereld zijn lijf-en-ziel ‘haat’
zal haar bewaren voor eeuwig leven;

26


als iemand mij dienstbaar wil zijn

moet hij mij volgen, en waar
ík ben
daar zal ook mijn bediende zijn;
als iemand mij bedient
zal de Vader hem eer bewijzen;

27


nu

‘is mijn ziel verbijsterd’ (Ps. 6,4);
wat moet ik zeggen?-
‘Vader, red mij uit dit uur’ (Ps. 6,5 en 7,2)?-
nee, daarom ben ik gekomen:
voor dit uur!…

28


‘Vader, verheerlijk uw Naam!’ (Ps. 8,2-10)

Dan komt er een stem uit de hemel:
‘ik heb hem verheerlijkt
en zal hem wéér verheerlijken!’

(Ps. 7,6 en 8,6 en 1 Sam. 2,30)

29


Toen heeft de schare die

daar stond en het hoorde
gezegd dat er een donderslag
was geschied;
anderen hebben gezegd:
een engel heeft tot hem gesproken!

30


Het antwoord van Jezus is dat hij zegt:

niet om mij is deze stem geschied,
nee, om u!-

31


nú is er een oordeel over deze wereld;


zal de overste van deze wereld
naar buiten worden uitgeworpen!-

32


en als ik van de aarde zal worden

omhooggeheven (Joh. 3,14),
zal ik allen tot mij trekken!

33


Maar dit heeft hij gezegd

om in tekentaal aan te duiden
met wat voor dood hij zou gaan sterven.

34


Dan antwoordt de schare hem:

wíj horen uit de Wet
dat de Gezalfde
‘blijft tot in de eeuwigheid’ (Ps. 89,37);
hoe kunt ú dan zeggen
dat de mensenzoon moet worden
‘omhooggeheven’:
wie is deze mensenzoon?

35


Dan zegt Jezus tot hen:

nog een kleine tijdsspanne
is het licht bij u;
wandelt zolang ge het licht hebt,
opdat duisternis u niet in bezit neemt;
wie wandelt in het duister
weet niet waar hij heen gaat;

36


zolang ge het licht hebt:

gelooft in het licht
opdat ge zonen-en-dochters
van het licht wordt!
Als Jezus dat heeft uitgesproken
gaat hij weg en verbergt hij zich voor hen.