Instellingen

30


ík ben niet bij machte

iets uit mijzelf te doen:
zoals ik het hoor,
zo beoordeel ik,
en mijn oordeel is rechtvaardig,-
omdat ik niet mijn wil zoek
nee, de wil van wie mij heeft uitgestuurd;

31


als ík getuig over mijzelf,

is mijn getuigenis niet waarachtig;

32


er is een ander die over mij getuigt,

en ik weet dat het waar is,-
-het getuigenis dat hij over mij betuigt!-

33


gíj hebt gezanten gezonden

naar Johannes,
en hij heeft getuigd voor de waarheid;

34


maar ik-voor-mij neem niets aan

naar getuigenis van een mens,
nee, ik zeg deze dingen
opdat gíj zult worden gered;

35


híj is de lamp geweest

die brandde en wist te schijnen,
maar gíj wilt dít:
voor een uur jubelen in zijn licht;

36


maar ik heb het getuigenis dat

groter is dan dat van Johannes;
want de werken die de Vader
mij te voltooien heeft gegeven,-
de werken die ik afmaak
betuigen over mij
dat de Vader mij heeft uitgezonden;

37


en die mij gestuurd heeft, de Vader,

híj heeft over mij getuigd,
ook al hebt ge zijn stem nooit gehoord
en zijn gezicht nooit gezien;

38


ook zijn spreken hebt ge niet

als iets dat in u blijft,
want die híj heeft uitgezonden,
hem schenkt gíj geen geloof;