De Farizeeërs horen dat de schare dit over hem murmelt, en ze zenden, de heiligdomsoversten en de Farizeeërs samen, gerechtsdienaars uit om hem te grijpen.
Dan zegt Jezus: nog een korte tijd ben ik bij u, ik ga heen tot hem die mij heeft gestuurd;
34
ge zult me zoeken en niet vinden (Spr. 1,28), waar ík ben zult gij niet bij machte zijn te komen!
35
Dan zeggen de Judeeërs tot elkaar: waarheen is hij wel van plan te vertrekken?- omdat wij ‘hem niet zullen vinden’!- hij is toch niet van plan te vertrekken naar de Hellenen in de verstrooiing en de Hellenen te onderrichten?-
36
wat ís dit voor een uitspraak, dat hij gezegd heeft ‘ge zult me zoeken en niet vinden’, en ‘waar ík ben zult gíj niet bij machte zijn te komen’?
37
Maar op de laatste en grote dag van het feest is Jezus er gaan staan, en wat hij te zeggen heeft schreeuwt hij uit: als iemand dorst heeft,- hij kome tot mij en drinke!-
38
wie in mij gelooft,- zoals de Schrift zegt: rivieren van levend water zullen stromen uit zijn schoot!
39
Maar dat zegt hij over de Geest die zij die in hem geloofden zouden gaan aannemen; want er is nog geen Geest geweest, omdat Jezus nog niet is verheerlijkt (Spr. 1,23).