Instellingen

1


Maar er is in Caesarea een zeker man

met de naam Cornelius,
hoofdman over honderd,
uit een afdeling met roepnaam ‘Italiaanse’,

2


vroom en God vrezend

met heel zijn huis;
hij doet vele (daden van) ontferming
voor de gemeenschap
en bidt aldoor tot God.

3


Zo omstreeks het negende uur

van de dag
ziet hij in een gezicht duidelijk
een engel van God bij hem binnenkomen
die tot hem zegt: Cornelius!

4


Maar hij staart hem aan

en bevreesd geworden zegt hij:
wat is er, heer?
Maar hij zegt tot hem: je gebeden
en je daden van ontferming
zijn opgeklommen ter gedachtenis
voor God;

5


stuur nu mannen naar Joppe

en laat een zekere Simon terugsturen
die Petrus als roepnaam heeft;

6


hij is te gast bij een zekere

Simon Leerlooier; diens huis
is langs zee!

7


Maar zodra de engel die tot hem sprak

is weggegaan,
roept hij twee van de huisslaven
en een vroom soldaat,
(één) van hen die altijd bij hem zijn.

8


Hij legt hun alles uit

en zendt hen uit naar Joppe.

9


Maar de volgende morgen, als zíj

over land reizen en de stad naderen,
klimt Petrus op naar het dak
om te bidden, omstreeks het zesde uur.

10


Maar het geschiedt: hij krijgt honger

en heeft wel iets willen proeven.
Maar terwijl ze dat klaarmaken
geschiedt er een extase over hem,

11


en hij aanschouwt dat de hemel

wordt geopend
en een voorwerp neerdaalt,
iets als een groot laken
dat aan vier hoeken wordt neergelaten
op de aarde,

12


en waarin zich bevinden

alle viervoeters en kruipende dieren
van de aarde
en vogels van de hemel.

13


Er geschiedt tot hem een stem:

sta op, Petrus, slacht en eet!

14


Maar Petrus zegt: geenszins, heer,

omdat ik nooit ofte nimmer
iets heb gegeten dat
ongewijd en onrein is!

15


En een stem richt zich opnieuw,

voor de tweede keer, tot hem:
al wat God reinigt
moet jíj niet voor ongewijd houden!

16


Maar dat geschiedt drie keer,

en meteen wordt dan het voorwerp
omhooggenomen naar de hemel.

17


Maar juist is Petrus helemaal vastgelopen

in zichzelf, over wat het gezicht
dat hij gezien heeft wel mag zijn,
als zie, de mannen die
door Cornelius zijn uitgezonden
vragen naar het huis van Simon
en bij de poort komen staan.

18


Met stemverheffing vragen zij:

is Simon met roepnaam Petrus
hier te gast?

19


Maar Petrus is nog aan het nadenken

over het gezicht
als de geest zegt:
zie, twee mannen die je zoeken!-

20


welaan, sta op, daal af

en ga zonder tegenspraak met hen mee,
omdat ík hen heb gezonden!

21


Maar Petrus daalt af

en zegt tot de mannen:
zie, ík ben het die ge zoekt;
wat is de reden dat ge hier zijt?

22


Maar zij zeggen:

Cornelius, een hoofdman over honderd,
een man die een rechtvaardige is
en God vreest,
van goed getuigenis bij heel het volk
der Judeeërs,
is door een heilige engel ingegeven
dat hij u moet laten meesturen
naar zijn huis
om van u te horen wat gezegd moet worden!

23


Dus roept hij hen binnen

en heeft hen te gast.
Maar de volgende morgen
staat hij op en trekt met hen uit,
en ook enkelen van de broeders
uit Joppe gaan met hem mee.

24


Maar de morgen daarop komt hij

Caesarea binnen, maar Cornelius is het
die hen verwelkomd heeft;
hij heeft zijn verwanten
en beste vrienden bijeengeroepen.

25


Maar zodra het geschiedt

dat Petrus binnenkomt,
gaat Cornelius hem tegemoet,
valt (hem) voor zijn voeten
en bewijst hem hulde.

26


Maar Petrus zet hem overeind* Letterlijk: wekt hem op.,

zeggend: sta op, ook ík zelf
ben maar een mens!

27


En gewoon met hem pratend

komt hij binnen en vindt daar
velen bijeengekomen.

28


Hij brengt tot hen uit: ú weet dat het

een joodse man niet is toegestaan
zich te voegen of binnen te komen
bij iemand van andere stam;
en aan míj heeft God getoond
dat ik geen enkele mens
ongewijd of onrein mag noemen;

29


daarom heb ik mij zonder tegenspraak

laten meesturen en ben ik gekomen;
dus vraag ik om welke reden
ge mij hebt laten meesturen!

30


Cornelius verklaart:

de vierde dag vooraf aan dit uur
was ik in mijn huis
het noengebed aan het bidden,
en zie, er staat voor mijn aanschijn
een man in een stralend gewaad,