Instellingen

20


Want vanaf de schepping der wereld

wordt al wat onzichtbaar is van hem
aan zijn daden opgemerkt en gezien:
én zijn altijddurende kracht
én zijn goddelijkheid,
zodat zij niet te verontschuldigen zijn,

21


omdat zij God wel kenden

maar hem niet als God hebben verheerlijkt
of gedankt,
nee, zij zijn met hun overleggingen
op niets uitgelopen,
en hun onverstandig hart
is verduisterd.

22


Zij beweerden wijzen te zijn

maar werden dwaas,

23


en de heerlijkheid van de

onvergankelijke God hebben zij
veranderd in een gelijkenis
van het beeld van een
vergankelijk mens, van vogels, viervoeters
en reptielen.

24


Daarom heeft God hen

in de verlangens van hun harten
prijsgegeven aan onreinheid
en onteren zij hun lichamen
met hen.

25


Zij hebben de waarheid van God

veranderd in de leugen,
en eerbiedigen en vereren
het schepsel boven de Schepper,
die te zegenen is
tot in de eeuwigheden. Amen!