Instellingen

5


Want Mozes schrijft

over de rechtvaardiging uit een Wet:
‘de mens die alles doet
zal door haar leven!’ (Lev. 18,5).

6


Maar de rechtvaardiging uit geloof

zegt het zó:
zeg niet in je hart ‘wie zal
opklimmen naar de hemel?’ (Deut. 30,12);
dat is: Christus naar beneden voeren;

7


of: ‘wie zal neerdalen naar de afgrond?’


(Ps. 107,26);

dat is: Christus uit de doden
omhoogvoeren.

8


Nee, wat zegt zij?-

‘dicht bij jou is het woord,
in je mond en in je hart!’ (Deut. 30,14);
dat is het woord des geloofs
dat wij prediken,-

9


omdat, als je met je mond belijdt

dat Jezus Heer is
en met je hart gelooft dat God
hem uit de doden heeft opgewekt,
je zult worden behouden.

10


Want met een hart gelooft men

tot gerechtigheid
en met een mond belijdt men
tot behoud.