Instellingen

1


Alle ziel moet zich

aan de gezagsmachten bóven zich
onderschikken;
want er is geen gezagsmacht
tenzij onder God,
en die er zijn
zijn onder God gesteld;

2


zodat

wie zich te weer stelt tegen de gezagsmacht,
de instelling van God weerstaat;
en wie die weerstaan
halen een oordeel over zich.

3


Want de overheidspersonen

zijn niet te vrezen voor het goede werk
maar wel voor het kwade;
wil je niets te vrezen hebben van de
gezagsmacht?- doe het goede
en je zult van haar lof hebben!

4


Want diaken van God is zij,

jou ten goede.
Maar als je het kwade doet,
wees dan bevreesd!
Want niet voor niets
draagt zij het zwaard,-
want diaken van God is zij,
een wreker tot in een toorngericht
voor wie het kwade bedrijft.

5


Daarom is er noodzaak

zich onder haar te stellen,
niet alleen om het toorngericht
maar ook om wille van het geweten.

6


Want daarom draagt ge ook

belastingen af;
want liturgen van God zijn zij
die daaraan al hun aandacht wijden;