Instellingen

7


Want niemand van ons leeft voor zichzelf

en niemand sterft voor zichzelf;

8


want als we leven

leven wij voor de Heer
en als we sterven
sterven wij voor de Heer;
of wij dan leven of dat wij sterven,
wij zijn van de Heer!

9


Want daartoe is Christus gestorven

en levend geworden:
dat hij én over doden én over levenden
Heer zal zijn!

10


Dus jij,

wat oordeel je over je broeder-of-zuster?
Of ook jij,
wat minacht jij je broeder-of-zuster?
Want allen komen wij eens te staan
voor de rechterstoel van God.

11


Want er is geschreven:

‘zowaar ik leef, zegt de Heer:
voor mij zal buigen alle knie, en
alle tong zal lof toebrengen
aan God’ (Jes. 49,18; 45,23).

12


Dus zal dan ieder van ons over zichzelf

het woord moeten doen bij God.

13


Laten wij dan niet meer

elkaar oordelen;
nee, laat liever dit uw oordeel zijn:
aan de broeder-of-zuster geen
aanstoot of ergernis geven.

14


In eenheid met de Heer Jezus

weet ik en ben ik ervan overtuigd
dat niets op zichzelf profaan is;
alleen als iemand iets als profaan
beschouwt, voor hem is het profaan.

15


Maar als je broeder-of-zuster

door een spijze wordt bedroefd,
dan wandel je
niet meer overeenkomstig liefde;
richt niet door jouw spijze
hem-of-haar te gronde voor wie
Christus is gestorven!

16


Laat dan wat ge aan goed hebt

niet belasterd worden.

17


Want het koninkrijk van God

is niet spijs en drank,
maar gerechtigheid en vrede
en vreugde, in de heilige Geest.

18


Want wie hierin

de Gezalfde dienstbaar is
is welgevallig aan God
en gewaardeerd bij de mensen.

19


Dus laten we dan najagen

wat de vrede dient
en de opbouw naar elkaar toe.