Instellingen

14


Wat zullen wij dan zeggen?

Dat er onrechtvaardigheid is bij God?
Dat zij verre!

15


Want tot Mozes zegt hij:

‘ik zal mij ontfermen
over wie ik mij maar ontferm,
en ik zal mij erbarmen
over wie ik mij maar erbarm!’

(Deut. 32,4; Ex. 33,19).

16


Dus dan is het niet iets

van wie iets wil
of van hem die loopt,
maar van de God die zich ontfermt.

17


Want de Schrift zegt tot Farao:

‘daartoe heb ik jou opgewekt,
opdat ik in jou mijn kracht zal tonen
en opdat mijn naam
verkondigd zal worden
op heel de aarde!’ (Ex. 9,16).

18


Dus dan ontfermt hij zich

over wie hij wil,
en wie hij wil verhardt hij.

19


Je zult me dan wel zeggen:

wat klaagt hij nog?- want
weerstond iemand zijn wil?

20


Maar mens, wie ben jij dan wel

als je God zo antwoordt?-
zal het geformeerde
tot de formeerder zeggen:
‘waarom heb je me zó gemaakt?’ (Jes. 29,16).

21


Of heeft de pottenbakker geen vrijmacht

om uit hetzelfde leem
het ene voorwerp te maken voor iets eervols
en het andere voor iets on-eervols?

22


En als God nu eens,

om zijn toorn te tonen
en zijn kracht te doen kennen
voorwerpen van toorn,
voor ondergang toebereid,
in zijn overvloedige lankmoedigheid
heeft gebracht,-

23


ook om de rijkdom van zijn heerlijkheid

te doen kennen
over voorwerpen van ontferming,
die hij tevoren gereed heeft gemaakt
voor heerlijkheid?

24


En wel ons, die hij heeft geroepen

niet alleen uit Judeeërs
maar ook uit heidenvolkeren,