Instellingen

1


Wij weten immers:

als het aardse huis dat onze tent is
wordt afgebroken,
hebben wij een gebouw vanuit God,
een eeuwig huis, niet met handen gemaakt,
in de hemelen.

2


Want daarin moeten wij nog zuchten,

ernaar verlangend
met ons tehuis uit de hemel
overkleed te worden,

3


als we tenminste bekleed en niet naakt

bevonden willen worden.

4


Want zolang wij nog in deze tent vertoeven

zuchten wij bezwaard,
daarom dat wij niet ontkleed willen worden
maar overkleed,
zodat het sterfelijke wordt opgeslokt door het
leven.

5


Maar hij die dáártoe aan ons werkt is God,

die ons als onderpand
de Geest gegeven heeft.

6


Vol goede moed dan te allen tijde,

en wetende
dat wij, vertoevend in het lichaam,
niet bij de Heer vertoeven,

7


-want wij wandelen in geloof

en niet in weten-

8


zijn wij dus vol goede moed

en hebben wij er meer behagen in
buiten het lichaam te vertoeven
en te vertoeven bij de Heer.