Wij weten immers: als het aardse huis dat onze tent is wordt afgebroken, hebben wij een gebouw vanuit God, een eeuwig huis, niet met handen gemaakt, in de hemelen.
Want daarin moeten wij nog zuchten, ernaar verlangend met ons tehuis uit de hemel overkleed te worden,
3
als we tenminste bekleed en niet naakt bevonden willen worden.
4
Want zolang wij nog in deze tent vertoeven zuchten wij bezwaard, daarom dat wij niet ontkleed willen worden maar overkleed, zodat het sterfelijke wordt opgeslokt door het leven.
5
Maar hij die dáártoe aan ons werkt is God, die ons als onderpand de Geest gegeven heeft.
6
Vol goede moed dan te allen tijde, en wetende dat wij, vertoevend in het lichaam, niet bij de Heer vertoeven,
7
-want wij wandelen in geloof en niet in weten-
8
zijn wij dus vol goede moed en hebben wij er meer behagen in buiten het lichaam te vertoeven en te vertoeven bij de Heer.