Als we dan deze aankondigingen hebben, geliefden, laten wij onszelf reinigen van alle bezoedeling van vlees en geest, en in vreze voor God onze heiliging voltooien.
Gunt ons ruimte; wij hebben niemand onrecht gedaan, niemand ten verderve gevoerd, niemand uitgebuit.
3
Ik zeg dit niet om te veroordelen; want eerder al heb ik gezegd dat ge in onze harten zijt als mensen om mee te sterven en mee te leven.
4
Groot is mijn vrijmoedigheid tegenover u, groot is mijn trots over u; ik ben vervuld van bemoediging, ik vloei over van vreugde,- in al onze verdrukking.
5
Want ook toen wij in Macedonië kwamen, heeft ons vlees geen enkele rust gehad, nee, in alles werden wij verdrukt: van buiten af door gevechten, van binnen uit door vormen van vrees.
6
Maar de God die de nederigen bemoedigt, heeft ons bemoedigd met de komst van Titus.
7
Maar niet alleen met zijn komst, maar ook met de bemoediging waarmee hij bemoedigd is bij u; hij heeft ons uw verlangen verkondigd, uw verdriet en uw ijver voor mij, zodat ik mij eens te meer verheug.
8
Want ook als ik u bedroefd heb met mijn brief, heb ik geen berouw; ook als ik berouw zou hebben dan neem ik waar dat die brief, ook als hij u voor een uur bedroefd heeft…
9
nú ben ik verheugd, niet dat ge bedroefd geweest zijt, maar dat ge bedroefd geweest zijt tot bekering; want ge zijt bedroefd geweest zoals het God behaagt, zodat ge in niets geschaad zijt van ons uit.
10
Want de droefheid zoals het God behaagt bewerkt een onberouwelijke bekering tot behoud, maar de droefheid van de wereld bewerkt dood.