een ieder zoals hij zich vóórneemt, van harte, niet uit droefheid of uit noodzaak: want ‘God heeft een blijmoedige gever lief’.
8
Bij machte is God elke genadegave voor u overvloedig te maken, zodat ge, in alles altijd in bezit van al het nodige, overvloedig kunt zijn tot elk goed werk,
9
zoals geschreven staat: ‘hij strooide uit, gaf aan de behoeftigen,- zijn gerechtigheid blijft tot in de eeuwigheid’ (Ps. 112,9).
10
Hij die verleent ‘zaaigoed aan de zaaier en brood tot spijze’ (Jes. 55,10) moge u ook uw zaaigoed verlenen en vermeerderen, en doen gedijen ‘de voortbrengsels van uw gerechtigheid’ (Hos. 10,12),
11
u die in alles rijk gemaakt wordt tot alle eenvoud, welke door toedoen van ons leidt tot dankzegging aan God,
12
omdat het dienstbetoon, vervat in deze eredienst, niet slechts de tekorten van de heiligen áánvult, maar ook overvlóedig is in dankzeggingen aan God door velen,-
13
die door dit blijk van dienstbetoon God verheerlijken om uw gehoorzaam belijden van het evangelie van de Gezalfde en uw eenvoudige blijk van gemeenschap jegens hen en jegens allen,
14
en in hun gebed voor u naar u verlangen door de allesovertreffende genade van God aan u.
15
Dank* Letterlijk: genade. aan God voor zíjn onuitsprekelijke gave!