Instellingen

6


ik bedoel dit:

wie karig zaait, zal ook karig oogsten,
en wie met zegeningen zaait,
zal ook met zegeningen oogsten;

7


een ieder zoals hij zich vóórneemt,

van harte,
niet uit droefheid of uit noodzaak:
want ‘God heeft een blijmoedige gever lief’.

8


Bij machte is God elke genadegave

voor u overvloedig te maken,
zodat ge, in alles altijd in bezit van
al het nodige,
overvloedig kunt zijn tot elk goed werk,

9


zoals geschreven staat:

‘hij strooide uit, gaf aan de behoeftigen,-
zijn gerechtigheid blijft tot in de eeuwigheid’

(Ps. 112,9).

10


Hij die verleent

‘zaaigoed aan de zaaier en brood tot spijze’

(Jes. 55,10)

moge u ook uw zaaigoed verlenen
en vermeerderen, en doen gedijen
‘de voortbrengsels van uw gerechtigheid’

(Hos. 10,12),

11


u die in alles rijk gemaakt wordt

tot alle eenvoud,
welke door toedoen van ons leidt tot
dankzegging aan God,

12


omdat het dienstbetoon,

vervat in deze eredienst,
niet slechts de tekorten van de heiligen
áánvult, maar ook overvlóedig is
in dankzeggingen aan God door velen,-

13


die door dit blijk van dienstbetoon

God verheerlijken
om uw gehoorzaam belijden
van het evangelie van de Gezalfde
en uw eenvoudige blijk van gemeenschap
jegens hen en jegens allen,

14


en in hun gebed voor u

naar u verlangen
door de allesovertreffende genade
van God aan u.

15


Dank* Letterlijk: genade. aan God

voor zíjn onuitsprekelijke gave!