Instellingen

1


O onverstandige Galaten,

wie heeft u zo betoverd,
u voor wier ogen Jezus Christus
voorheen als gekruisigd is beschreven?

2


Alleen dít wil ik van u leren:

hebt ge uit werken der Wet
de Geest ontvangen
of uit geloof dat uit gehoor is?

3


Bent u zó buiten zinnen?-

begonnen in Geest
eindigt ge nu in vlees?

4


Hebt ge zo grote dingen tevergeefs beleefd?

Als het al tevergeefs is!

5


Die u dan de Geest verleent

en in uw midden krachten laat werken,
is dat uit werken der Wet
of uit geloof dat uit gehoor is?

6


Zoals Abraham

‘God geloofd heeft en hem dat
tot gerechtigheid gerekend is’ (Gen. 15,6).

7


Erkent dan van wie uit geloof leven

dat zíj zonen-en-dochters van Abraham zijn!

8


Daar de Schrift voorzag

dat God de heidenvolken uit geloof
rechtvaardigt,
heeft zij bij voorbaat aan Abraham
verkondigd:
‘in jou zullen alle volkeren
worden gezegend’ (Gen. 18,8),

9


zodat wie uit geloof leven

gezegend worden
samen met Abraham die geloofde.

10


Want allen die uit werken der Wet leven,

liggen onder een vloek;
er staat immers geschreven dat
‘vervloekt is al wie niet blijft bij
al wat geschreven is in het boek der Wet
om dat te doen’ (Deut. 27,26).

11


En dat door de Wet

niemand bij God wordt gerechtvaardigd
is duidelijk, omdat
‘de rechtvaardige zal leven uit geloof’

(Hab. 2,4).

12


In de Wet is het niet ‘uit geloof’,

maar ‘wie deze dingen dóet
zal daardoor leven’ (Lev. 18,5).

13


Christus heeft ons vrijgekocht

uit de vloek der Wet
door voor ons een vloek te worden,-
omdat geschreven staat:
‘vervloekt is al wie hangt aan
een stuk hout’ (Deut. 21,23),-

14


opdat tot de volkeren de zegen van Abraham

komt in Jezus Christus,
opdat we de beloofde Geest
mogen aannemen
door het geloof.

15


Broeders-en-zusters, naar de mens zeg ik:

hoewel het maar van een mens is
kan niemand
een eenmaal rechtsgeldig verbond
tenietdoen of wijzigen.

16


Aan Abraham werden de beloften toegezegd

‘en aan zijn zaad’ (Gen. 12,7);
hij zegt niet
‘en aan zijn zaden’* Of: nazaten.,
alsof het over velen gaat,
nee, het is als over één iemand;
‘en aan je zaad’, dat is Christus!

17


Ik zeg hiermee dít:

een verbond dat eerst door God zelf
rechtsgeldig is gemaakt,
wordt niet ongeldig gemaakt door
de Wet die vierhonderddertig jaren later
is gekomen
en de belofte buiten werking zou stellen.

18


Want als het erfgoed er is vanuit een wet,

dan is het er niet meer vanuit een belofte;
maar aan Abraham
heeft God door een belofte
zijn genade geschonken.

19


Wat heeft de Wet dan voor zin?

Omwille van de overtredingen is hij
toegevoegd,
totdat ‘het zaad’ zou komen
waarvoor* Of: de nazaat (…) aan wie. de belofte was gedaan;
hij -de Wet- is door engelen verordend,
in de hand van een middelaar.

20


Maar de middelaar vertegenwoordigt altijd

meer dan één persoon;
God echter is één.

21


Is de Wet dan iets tegen Gods beloften in?

Dat zij verre!
Zeker, als er een Wet was gegeven
die levend zou kunnen maken,
dan zou de rechtvaardiging
er inderdaad zijn vanuit die Wet;

22


maar de Schrift heeft alles

onder zonde opgesloten gehouden,
opdat het beloofde
vanuit het geloof in Jezus Christus
zou worden gegeven aan hen die geloven.

23


Voordat het geloof kwam

werden wij onder een Wet
gevangen gehouden
totdat het toekomstige geloof
zou worden geopenbaard.

24


Zodat de Wet voor ons

een opvoeder tot Christus is geweest,
opdat wij uit geloof worden gerechtvaardigd.

25


Maar nu het geloof gekomen is

staan wij niet meer onder een opvoeder.

26


Allen immers zijt ge zonen-en-dochters

van God
door het geloof in Christus Jezus.

27


Want gij allen

die tot eenheid met Christus zijt gedoopt
hebt u bekleed met Christus.

28


Daarin is geen Judeeër en geen Helleen,

daarin is geen dienstknecht en geen vrije,
daarin is geen mannelijk en vrouwelijk;
allen immers zijt gíj één in Christus Jezus!

29


Maar als gij van Christus zijt,

dan zijt ge zaad van Abraham:
overeenkomstig een belofte erfgenamen!