| 17 | Dit zeg ik dan, en ik betuig het in de Heer: gij moet niet meer wandelen zoals de heidenen wandelen in de vergeefsheid van hun denken:
| |
| 18 | met hun dóórdenken in duisternis gehuld, vervreemd van het leven van God, door de on-kennis die onder hen heerst, door de verharding van hun hart;
| |
| 19 | eenmaal gevoelloos geworden hebben zij zich onbeteugeld eraan overgegeven om inhalig van alle mogelijke onzedelijkheid hun bedrijf te maken.
| |
| 20 | Maar gíj hebt niet zó de Gezalfde leren kennen,
| |
| 21 | als ge tenminste naar hem hebt gehoord en in hem onderricht zijt zoals waarheid is in Jezus,
| |
| 22 | dat ge tegen uw eerdere gedrag in het oude mens-zijn moet afleggen dat tegen de bedrieglijke verlangens in te gronde gaat,
| |
| 23 | dat ge vernieuwd moet worden door de geest van uw denken
| |
| 24 | en het nieuwe mens-zijn moet aantrekken dat naar God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid.
| |
| 25 | Daarom: legt de leugen af en ‘spreekt waarheid, ieder met zijn naaste’ (Zach. 8,16), omdat wij ledematen van elkaar zijn;
| |
| 26 | ‘weest toornig maar zondigt niet’ (Ps. 4,5): laat de zon over uw toorn niet ondergaan,
| |
| 27 | en geeft geen plek aan de uiteenwerper;
| |
| 28 | de dief moet niet meer stelen maar zich liever moe maken door met de eigen handen het goed bijeen te werken,- dan heeft hij iets om weg te geven aan wie gebrek heeft;
| |
| 29 | laat geen enkel rot woord uit uw mond voortkomen,- alleen maar iets goeds, tot opbouw, waar gebrek aan is; dan geeft dat genade aan allen die het horen;
| |
| 30 | bedroeft de heilige Geest van God niet waarmee ge zijt gezegeld en gestempeld tot aan de dag van de verlossing.
| |
| 31 | Laat alle wrok, drift, toorn, geschreeuw en lastering met alle kwaad van dien van u worden weggenomen,
| |
| 32 | en weest jegens elkaar goedertieren, barmhartig en elkander begenadigend, zoals ook God in Christus u begenadigd heeft!
| |