zorgt voor mannen die wijs zijn, verstandig en welbekend uit uw stammen, dan zal ik hen inzetten als hoofden over u!
14
Gij hebt mij geantwoord,- en gezegd: goed is het woord dat je hebt gesproken om te doen!
15
Ik nam de hoofden van uw stammen, mannen wijs en welbekend, en gaf hen als hoofden over u: oversten over duizendtallen, oversten over honderden, oversten over vijftig en oversten over tientallen, en opzichters over uw stammen.
16
Ik gebood uw rechters in dat tijdsgewricht en zei: hoort alles tussen broeders van u aan en spreekt recht in gerechtigheid tussen een man en zijn broeder, of de zwerver-te-gast bij hem te gast;
17
ge zult geen aanzien-des-persoons erkennen in de rechtspraak, zowel de kleine als de grote zult ge aanhoren; ge zult niet uitwijken voor het aanzien van een man, want de rechtspraak, van God is die; het woord dat* Of: de zaak die. te hard voor u is zult ge tot mij doen naderen, dan zal ik het* Of: die. aanhoren!
18
Ik gebood u in dat tijdsgewricht het geheel van de woorden die ge moet doen!
19
Opgebroken zijn we toen van Horeb en we gingen door heel die grote en vreeswekkende woestijn die ge hebt gezien op weg naar het bergland van de Amoriet, zoals de Ene, God-over-ons, ons heeft geboden; en we kwamen tot Kadeesj Barnea.
20
Toen zei ik tot u: gekomen zijt ge tot aan het bergland van de Amoriet, dat de Ene, God-over-ons, bezig is aan ons te geven;
21
zíe,- gegeven heeft de Ene, God-over-jou, het land aan jouw aanschijn: klim óp en beërf het, zoals tot jou gesproken heeft de Ene, de God van je vaderen; vrees niet en laat je niet breken!