| 19 | Opgebroken zijn we toen van Horeb en we gingen door heel die grote en vreeswekkende woestijn die ge hebt gezien op weg naar het bergland van de Amoriet, zoals de Ene, God-over-ons, ons heeft geboden; en we kwamen tot Kadeesj Barnea.
| |
| 20 | Toen zei ik tot u: gekomen zijt ge tot aan het bergland van de Amoriet, dat de Ene, God-over-ons, bezig is aan ons te geven;
| |
| 21 | zíe,- gegeven heeft de Ene, God-over-jou, het land aan jouw aanschijn: klim óp en beërf het, zoals tot jou gesproken heeft de Ene, de God van je vaderen; vrees niet en laat je niet breken!
| |
| 22 | Toen zijt ge tot mij genaderd, gij allen, en hebt ge gezegd: laten wij mannen voor ons aanschijn heenzenden, opdat zij voor ons het land verspieden en tot ons terugkeren met een woord over de weg waarlangs we kunnen opklimmen en de steden waarbij we zullen aankomen!
| |
| 23 | Het was goed in mijn ogen, dit woord: ik nam uit hen twaalf mannen, één man per stam;
| |
| 24 | die wendden zich en klommen het bergland in, kwamen aan bij het beekdal Esjkol,- druiventros, en bespiedden het.
| |
| 25 | Ze namen in hun hand mee van de vrucht van het land en daalden daarmee tot ons; ze keerden tot ons terug met een woord: goed is het land dat de Ene, onze God, bezig is aan ons te geven!
| |
| 26 | Maar ge hebt niet willen opklimmen; en hebt weerstreefd de mond van de Ene, uw God.
| |
| 27 | Jullie mórden in je tenten en zeiden: omdat hij ons háát, de Ene, heeft hij ons doen wegtrekken uit het land van Egypte; om ons over te geven in de hand van de Amoriet, om ons te verdelgen:
| |
| 28 | wáár, waarheen klimmen we nu op?- onze broeders hebben ons hart van zijn kracht beroofd door te zeggen: een manschap groter en verhevener dan wij, steden groot en steil tot in de hemelen,- en zelfs zonen van Anakieten zagen we daar!
| |
| 29 | Toen zei ik tot u: weest niet radeloos en vreest niet voor hen!-
| |
| 30 | de Ene, God-over-u, die voor uw aanschijn uitgaat, híj zal voor u oorlog voeren,- zoals alles wat hij bij u gedaan heeft in Egypte, voor uw eigen ogen,-
| |
| 31 | en in de woestijn waar je gezien hebt hoe de Ene, je God, je heeft gedragen zoals een man zijn zoon draagt,- op heel de weg die ge zijt gegaan tot uw aankomst bij dit oord!
| |
| 32 | Maar ondanks dit woord zijt ge zonder vertrouwen gebleven in de Ene, uw God,
| |
| 33 | die onderweg voor uw aanschijn uitgaat om u een oord te zoeken waar ge kunt legeren; in de vuurgloed ’s nachts om u zicht te geven op de weg waarover ge gaat en in de Wolk overdag.
| |
| 34 | Toen hoorde de Ene de stem van uw woorden; hij vergramde en zwoer en zei:
| |
| 35 | áls een man bij deze mannen van dit boos geslacht het goede land ooit ziet dat ik heb gezworen te geven aan hun vaderen!…
| |
| 36 | behalve Kaleb de zoon van Jefoenee: híj zal het zien en aan hém geef ik het land waarover hij zijn weg ging en aan zijn zonen, en wel omdat hij volledig is blijven staan achter de Ene!
| |
| 37 | Ook op mij is de Ene vertoornd geweest, vanwege u, en hij zei: ook jíj zult daar niet komen!-
| |
| 38 | Jozua, de zoon van Noen, die voor je aanschijn staat, híj zal daar komen; hém, sterk hem, want hij zal het onder Israël verdelen.
| |
| 39 | En uw kroost, waarvan ge gezegd hebt: tot buit wordt het!, uw zonen, die heden nog geen weet hebben van goed en kwaad, zíj zullen daar komen,- aan hén zal ik het geven, zíj zullen het beërven!-
| |
| 40 | maar gíj, wendt u en breekt op, de woestijn in, de weg op naar de Rietzee!
| |
| 41 | Ten antwoord hebt ge tot mij gezegd: wij hebben gezondigd tegen de Ene, maar wij, opklimmen zullen we en oorlog voeren naar al wat de Ene, onze God, ons heeft geboden! En gij hebt u per man zijn oorlogstuig aangegord en gedacht lichtvoetig het bergland in te klimmen.
| |
| 42 | Maar toen zei de Ene tot mij: zeg tot hen: ge zult niet opklimmen en niet oorlogvoeren, want ik ben niet in uw midden,- indien ge niet wilt worden neergestoten voor het aanschijn van uw vijanden!
| |
| 43 | Zó sprak ik tot u, en ge hebt nietgehoord; ge hebt de mond van de Ene weerstreefd, en kokend van overmoed zijt ge het gebergte ingeklommen.
| |
| 44 | Toen trok de Amoriet, die in dat bergland zetelde, u tegemoet, en ze joegen u achterna zoals bijen doen; ze sloegen u uiteen in Seïr,- tot aan Chorma.
| |
| 45 | Weeklagend zijt ge teruggekeerd naar het aanschijn van de Ene,- maar de Ene heeft niet gehoord naar uw stem en u niet het oor geleend.
| |