Welnu, Israël, wat heeft de Ene, je God, anders van je gevraagd dan te vrezen de Ene, je God, door te wandelen in al zijn wegen en hem lief te hebben, door de Ene, je God, te dienen met heel je hart en met heel je ziel;
door te waken over de geboden van de Ene en zijn inzettingen die ik je heden gebied,- jou ten goede.
14
Zie, van de Ene, je God, zijn de hemelen en de hemelen der hemelen,- het aardland en alles daarop,
15
maar alleen aan jouw vaderen heeft de Ene zich gehecht en hen liefgehad; en hij verkoos hún zaad na hen, u allen, boven alle andere gemeenschappen,- zoals op deze dag.
16
Besnijdt dan de voorhuid van uw hart,- en uw nek, verhardt die niet nog meer!
17
Want de Ene, God-over-u, híj is de God der goden en de Heer der heren; de godheid groot, heldhaftig en vreeswaardig die een aanschijn niet voortrekt en een geschenk niet aanneemt,
18
een dader van recht aan wees en weduwe; een die een zwerver-te-gast liefheeft en hem brood en een mantel geeft;
19
hebt dan ook gij de zwerver-te-gast lief,- want zwervers-te-gast zijt ge geweest in het land van Egypte;
20
de Ene, je God, zul je vrezen, hém zul je dienen; aan hém zul je je hechten en bij zíjn naam zul je zweren.
21
Híj is je psalm en híj is je God,- die bij jou heeft gedaan deze grote en vreeswekkende dingen die jouw ogen hebben gezien.