Instellingen

1


Liefhebben zul je

de Ene, je God;
bewaken zul je wat hij te bewaken geeft:
zijn inzettingen, zijn rechtsregels,
   zijn geboden,- alle dagen.

2


Gij hebt ervaren,

vandaag,-
en niet uw zonen
die het niet ervaren hebben en niet gezien,-
de tuchtiging van de Ene, uw God,-
zijn grootheid,
zijn sterke hand en
zijn uitgestrekte arm,

3


zijn tekenen en zijn daden

die hij gedaan heeft in Egypte,-
aan Farao, de koning van Egypte,
   en aan heel zijn land,

4


die hij gedaan heeft
   aan de krijgsmacht van Egypte,
   aan zijn paarden en zijn wagens,

toen hij de wateren van de Rietzee
   over hun aanschijn uitstortte

omdat ze u achternajoegen:
de Ene liet ze ondergaan
tot op deze dag;

5


de daden die hij voor u gedaan heeft
   in de woestijn,-

tot aan uw aankomst bij dit oord;

6


wat hij gedaan heeft aan Datan en Aviram,

de zonen van Eliav
de zoon van Ruben,
toen het aardland haar mond opensperde
en hen verslond, hun huishoudens,
   hun tenten,-

en heel het bestand in hun voetspoor,
te midden van heel Israël.

7


Ja, úw ogen hebben gezien

al het doen van de Ene, het grote
dat hij heeft gedaan!

8


Bewaakt dan heel het gebod

dat ik je heden gebied,-
opdat ge sterk zult zijn
en zult binnenkomen en beërven het land
waarheen ge gaat oversteken
   om het te beërven,

9


en opdat ge dagen verlengt
   op de –rode– grond

welke de Ene
   aan uw vaderen heeft gezworen te geven,
   aan hen en aan hun zaad:

een land dat overvloeit van melk en honing.
••

10


Want, het land

waar je nu binnenkomt om het te beërven,
niet als het land van Egypte is het,
waaruit ge zijt weggetrokken;
waar je je zaad uitzaaide
en het te drinken gaf met je voet,
   zoals in een groentetuin;

11


het land

waarheen ge nu oversteekt
   om het te beërven,

is een land van bergen en kloven:
van de regen des hemels
   drinkt het z’n water;

12


een land

waar de Ene, God-over-jou,
   zorg draagt voor je;

voortdurend gaan
de ogen van de Ene, God-over-jou, daarover,
van het begin van het jaar
tot op het laatste van het jaar.
••

13


Het zal geschieden:

als ge gehoorzaam hoort naar mijn geboden
die ik u heden gebied,-
door lief te hebben
de Ene, uw God, en hem te dienen
met heel uw hart en met heel uw ziel:

14


geven zal ik dan op zijn tijd regen
   voor uw land,
   herfstvlaag en lentedruppel,

en dan zul je het inzamelen: je koren,
je wijnmost, je boomolie;

15


geven zal ik groen gras op je veld
   voor je vee;

eten zul je en verzadigd worden!

16


Weest dan waakzaam voor uzelf!,

anders opent uw hart zich,-
zult ge afdwalen,
andere goden dienen
en u buigen voor hén.

17


Ontgloeien zal dan de toorn van de Ene
   tegen u;

hij zal de hemel versperren
zodat er geen regen zal vallen
en de –rode– grond
haar opbrengst niet geeft;
weldra zult ge verdwenen zijn
van dat goede land
dat de Ene u geeft.

18


Legt deze woorden van mij
   op uw hart en op uw ziel;

bindt ze als een teken op uw hand;
worden zullen ze tot een merkteken
   tussen uw ogen.

19


Leren zult ge ze uw zonen,
   door van hen te spreken,-

als je neerzit in je huis
   en als je voortgaat over de weg,

als je gaat slapen en als je opstaat;

20


schrijven zult ge ze
   op de posten van je huis en in je poorten;

21


opdat ze talrijk worden,
   uw dagen en de dagen van uw zonen,

op de –rode– grond
welke de Ene uw vaderen heeft gezworen
   hun te geven,-

al de dagen van de hemelen
   over het aardland!

••