Instellingen

18


Legt deze woorden van mij
   op uw hart en op uw ziel;

bindt ze als een teken op uw hand;
worden zullen ze tot een merkteken
   tussen uw ogen.

19


Leren zult ge ze uw zonen,
   door van hen te spreken,-

als je neerzit in je huis
   en als je voortgaat over de weg,

als je gaat slapen en als je opstaat;

20


schrijven zult ge ze
   op de posten van je huis en in je poorten;

21


opdat ze talrijk worden,
   uw dagen en de dagen van uw zonen,

op de –rode– grond
welke de Ene uw vaderen heeft gezworen
   hun te geven,-

al de dagen van de hemelen
   over het aardland!

••

22


Ja, als ge het waakzaam bewaken zult,
   heel dit gebod

dat ik u gebied om te doen,-
en zult liefhebben
de Ene, God-over-u,
   door te wandelen in al zijn wegen
   en vast te houden aan hem,-

23


onterven zal dan de Ene al deze volkeren
   van uw aanschijn;

onterven zult ge volkeren
groter en steviger dan gij;

24


heel het oord

waarop de holte van uw voet zijn weg gaat
   zal voor ú wezen;

van de woestijn tot de Libanon,
   van de Rivier, de rivier de Eufraat,

tot aan de Achterzee
zal het uw gebied worden.

25


Geen man zal zich posteren
   voor uw aanschijn;

schrik voor u en vrees voor u
   zal de Ene, uw God, geven

over het aanschijn van al het land
   waarover ge uw weg zult gaan,-

zoals hij tot u heeft gesproken.
••

26


Zie,

ik geef aan uw aanschijn heden
zegen en vloek;

27


de zegen,-

waar ge gehoor geeft
aan de geboden van de Ene uw God,
welke ik u heden gebied;

28


de vloek,-

waar ge níet hoort
   naar de geboden van de Ene, uw God

en afwijkt van de weg
welke ik u heden gebied,-
door achterna te gaan:
andere goden, die ge niet kent!
••