Leren zult ge ze uw zonen, door van hen te spreken,- als je neerzit in je huis en als je voortgaat over de weg, als je gaat slapen en als je opstaat;
20
schrijven zult ge ze op de posten van je huis en in je poorten;
21
opdat ze talrijk worden, uw dagen en de dagen van uw zonen, op de –rode– grond welke de Ene uw vaderen heeft gezworen hun te geven,- al de dagen van de hemelen over het aardland! ••
22
Ja, als ge het waakzaam bewaken zult, heel dit gebod dat ik u gebied om te doen,- en zult liefhebben de Ene, God-over-u, door te wandelen in al zijn wegen en vast te houden aan hem,-
23
onterven zal dan de Ene al deze volkeren van uw aanschijn; onterven zult ge volkeren groter en steviger dan gij;
24
heel het oord waarop de holte van uw voet zijn weg gaat zal voor ú wezen; van de woestijn tot de Libanon, van de Rivier, de rivier de Eufraat, tot aan de Achterzee zal het uw gebied worden.
25
Geen man zal zich posteren voor uw aanschijn; schrik voor u en vrees voor u zal de Ene, uw God, geven over het aanschijn van al het land waarover ge uw weg zult gaan,- zoals hij tot u heeft gesproken. ••
26
Zie, ik geef aan uw aanschijn heden zegen en vloek;
27
de zegen,- waar ge gehoor geeft aan de geboden van de Ene uw God, welke ik u heden gebied;
28
de vloek,- waar ge níet hoort naar de geboden van de Ene, uw God en afwijkt van de weg welke ik u heden gebied,- door achterna te gaan: andere goden, die ge niet kent! ••