Ja, als ge het waakzaam bewaken zult, heel dit gebod dat ik u gebied om te doen,- en zult liefhebben de Ene, God-over-u, door te wandelen in al zijn wegen en vast te houden aan hem,-
onterven zal dan de Ene al deze volkeren van uw aanschijn; onterven zult ge volkeren groter en steviger dan gij;
24
heel het oord waarop de holte van uw voet zijn weg gaat zal voor ú wezen; van de woestijn tot de Libanon, van de Rivier, de rivier de Eufraat, tot aan de Achterzee zal het uw gebied worden.
25
Geen man zal zich posteren voor uw aanschijn; schrik voor u en vrees voor u zal de Ene, uw God, geven over het aanschijn van al het land waarover ge uw weg zult gaan,- zoals hij tot u heeft gesproken. ••
26
Zie, ik geef aan uw aanschijn heden zegen en vloek;
27
de zegen,- waar ge gehoor geeft aan de geboden van de Ene uw God, welke ik u heden gebied;
28
de vloek,- waar ge níet hoort naar de geboden van de Ene, uw God en afwijkt van de weg welke ik u heden gebied,- door achterna te gaan: andere goden, die ge niet kent! ••
29
Geschieden zal het: wanneer de Ene, uw God, u doet komen in het land waar je nu binnenkomt om het te beërven,- geven zul je dan de zegen over de berg Gerizíem en de vloek over de berg Ebal.
30
Liggen die niet aan de overzij van de Jordaan?- achter de weg naar zonne-thuiskomst in het land van de Kanaäniet die zetelt op de Aravavlakte,- tegenover de Gilgal, terzijde van de godseiken van Moree.
31
Want ge gaat de Jordaan oversteken om binnen te komen en te beërven het land dat de Ene, uw God, u gaat geven; ge zult het beërven en erop zetelen.
32
Weest waakzaam om te doen alle inzettingen en rechtsregels die ik heden aan uw aanschijn geef!