Instellingen

1


Dit zijn de inzettingen en de rechtsregels,

die ge zult bewaken om te doen
in het land
dat de Ene, de God van je vaderen,
   heeft gegeven aan jou
   om het te beërven,-

al de dagen
dat gij op de –rode– grond leeft.

2


Laten verdwijnen, ja verdwijnen,
   zult ge al de oorden

waar de volkeren die ge gaat onterven
hun goden hebben gediend:
op de rijzige bergen, op de heuvels
en onder elke altijd-groene boom.

3


Omverhalen zult ge hun altaren,

stukbreken hun standstenen,
hun asjéra’s zult ge verbranden in het vuur
en de kapkoppen van hun goden omhakken:
hun naam zult ge laten verdwijnen
uit dat oord!

4


Niet als zij zult ge doen

voor de Ene die God-over-u is!

5


Nee, alleen naar het oord

dat de Ene, uw God, zal kiezen
   uit een van al uw stammen

om dáár zijn naam te vestigen,-
naar zíjn woning zult ge vragen
   en dáárheen zul je komen.

6


Dáárheen zult ge doen komen

uw opgangsgaven en uw offeranden,
uw tienden
en de heffing van uw hand;
uw beloofde gaven en uw spontane gaven,
en de eerstelingen
   van uw rundvee en uw wolvee.

7


Dáár zult ge samen eten

voor het aanschijn van de Ene, uw God
en u verheugen
over al wat uw hand heeft aangevat,-
gij en uw huishoudens,
waarmee de Ene, je God, je heeft gezegend.

8


Ge zult niet doen

naar al wat wij hier en heden doen:
per man al wat juist is in zijn ogen!

9


Want ge zijt tot nu toe niet aangekomen

in de rustplaats en het erfdeel
dat de Ene, God-over-jou,
   aan jou gaat geven.

10


Maar zijt ge eenmaal overgestoken

over de Jordaan
en gaan zetelen op het land
dat de Ene, uw God, u toedeelt,-
en heeft hij u rust verschaft
   van al uw vijanden rondom
   en zit ge er veilig,-

11


geschieden zal het: het oord

dat de Ene, uw God, uitkiest
   om dáár zijn naam te doen wonen,-

dáárheen zult ge brengen
al wat ik u gebied:
uw opgangsgaven en uw offeranden,
uw tienden en de heffing van uw hand
en heel de keur van uw beloofde gaven
die ge aan de Ene zult beloven.

12


Verheugen zult ge u

voor het aanschijn
van de Ene, God-over-u,-
gij, uw zonen en uw dochters,
uw dienaren en uw dienstmaagden,-
en de Leviet in uw poorten,
want voor hem is er geen deel
   en erfgoed bij u.

13


Waak over jezelf

dat je niet je opgangsgaven laat opgaan
in elk oord dat je ziet;

14


nee, alleen in het oord

dat de Ene zal kiezen
   uit één van je stammen,

dáár laat je je opgangsgaven opgaan,-
dáár zul je doen
al wat ik je gebied.

15


Maar wel mag je met alle graagte
   van je ziel
   slachtofferen en vlees eten,

al naar de Ene, je God,
   je zegen heeft gegeven
   in al je poorten;

de besmette en de reine, ze mogen het eten,
net zoals ook de gazelle en het hert
   (worden gegeten).

16


Maar het bloed zult ge niet eten:

over het aardland zult ge dat uitgieten,
   als water.

17


Het is onmogelijk voor je

om binnen je poorten te eten
de tiende van
   je koren, je most en je boomolie,

of de eerstelingen van
   je rundvee en je wolvee,-

of welk ook van de geloften die je belooft
of van je spontane gaven
   en de heffing van je hand.

18


Nee,

alleen voor het aanschijn van de Ene, je God,
   zul je die eten,

in het oord dat de Ene, die God is over jou,
uitkiest;
jij, je zoon, je dochter, je dienaar
   en je dienstmaagd,

en de Leviet binnen je poorten;
verheugen zul je je dan
voor het aanschijn van de Ene, je God,
over al wat je hand heeft aangevat.

19


Waak over jezelf

dat je de Leviet niet alleen laat,-
al je dagen op jouw –rode– grond.
••

20


Wanneer de Ene, je God,
   je gebied verruimt

zoals hij je heeft toegezegd,
en jij zult zeggen: ik wil wel vléés eten!,
omdat je ziel graag vlees zou eten,-
eet dan met alle graagte van je ziel vlees!

21


Wanneer het te ver bij jou vandaan is,
   het oord

dat de Ene, die God is over jou,
   zal verkiezen

om dáár zijn naam te vestigen,
slachtofferen zul je dan
van je rundvee en van je wolvee
dat de Ene je gegeven heeft
zoals ik je geboden heb;
eten zul je dan binnen je poorten
met alle gretigheid van je ziel.

22


Maar:

zoals de gazelle of het hert wordt gegeten,
zó zul je het eten;
de besmette en de reine,-
beiden mogen ze het eten.

23


Alleen: wees zo sterk

om niet het blóed te eten,
want het bloed, dat is de zíel:
eet niet de ziel op met het vlees!

24


Eet die nooit,-

over het aardland moet je het uitgieten,
   als water.

25


Eet het nooit,

opdat het jou en je zonen ná jou
   goed zal gaan

wanneer je doet
   wat juist is in de ogen van de Ene.

26


Alleen heiligdomsgaven van jou
   die van jou zijn
   en door jou beloofde zaken:

draag die mee, en ben je aangekomen
bij het oord dat de Ene zal verkiezen,

27


klaarmaken zul je dan
   als opgangsgaven van jou
   het vlees en het bloed

op het altaar van de Ene, je God:
het bloed van je slachtoffers
zul je uitgieten
   over het altaar van de Ene, je God,

en het vlees mag je eten.

28


Waakzaam zul je bewaken

al deze woorden
die ik je gebied;
opdat het jou en je zonen ná jou
   goed ga tot in eeuwigheid,

omdat je doet wat goed is en juist
in de ogen van de Ene, je God.
••

29


Wanneer de Ene, je God, de volkeren

waar jij nu aankomt om ze te onterven
   wegmaait voor je aanschijn

en jij ze onterfd zult hebben
en gezeten zult zijn op hun land,

30


waak dan over jezelf

dat je je niet verstrikt, hen achterna,
nadat zij zijn verdelgd voor je aanschijn,-
en dat je niet hun goden opzoekt, zeggend:
hoe dienen deze volkeren hun goden!-
zo wil ik het óók doen!