| 1 | Dit zijn de inzettingen en de rechtsregels, die ge zult bewaken om te doen in het land dat de Ene, de God van je vaderen, heeft gegeven aan jou om het te beërven,- al de dagen dat gij op de –rode– grond leeft.
| |
| 2 | Laten verdwijnen, ja verdwijnen, zult ge al de oorden waar de volkeren die ge gaat onterven hun goden hebben gediend: op de rijzige bergen, op de heuvels en onder elke altijd-groene boom.
| |
| 3 | Omverhalen zult ge hun altaren, stukbreken hun standstenen, hun asjéra’s zult ge verbranden in het vuur en de kapkoppen van hun goden omhakken: hun naam zult ge laten verdwijnen uit dat oord!
| |
| 4 | Niet als zij zult ge doen voor de Ene die God-over-u is!
| |
| 5 | Nee, alleen naar het oord dat de Ene, uw God, zal kiezen uit een van al uw stammen om dáár zijn naam te vestigen,- naar zíjn woning zult ge vragen en dáárheen zul je komen.
| |
| 6 | Dáárheen zult ge doen komen uw opgangsgaven en uw offeranden, uw tienden en de heffing van uw hand; uw beloofde gaven en uw spontane gaven, en de eerstelingen van uw rundvee en uw wolvee.
| |
| 7 | Dáár zult ge samen eten voor het aanschijn van de Ene, uw God en u verheugen over al wat uw hand heeft aangevat,- gij en uw huishoudens, waarmee de Ene, je God, je heeft gezegend.
| |
| 8 | Ge zult niet doen naar al wat wij hier en heden doen: per man al wat juist is in zijn ogen!
| |
| 9 | Want ge zijt tot nu toe niet aangekomen in de rustplaats en het erfdeel dat de Ene, God-over-jou, aan jou gaat geven.
| |
| 10 | Maar zijt ge eenmaal overgestoken over de Jordaan en gaan zetelen op het land dat de Ene, uw God, u toedeelt,- en heeft hij u rust verschaft van al uw vijanden rondom en zit ge er veilig,-
| |
| 11 | geschieden zal het: het oord dat de Ene, uw God, uitkiest om dáár zijn naam te doen wonen,- dáárheen zult ge brengen al wat ik u gebied: uw opgangsgaven en uw offeranden, uw tienden en de heffing van uw hand en heel de keur van uw beloofde gaven die ge aan de Ene zult beloven.
| |
| 12 | Verheugen zult ge u voor het aanschijn van de Ene, God-over-u,- gij, uw zonen en uw dochters, uw dienaren en uw dienstmaagden,- en de Leviet in uw poorten, want voor hem is er geen deel en erfgoed bij u.
| |
| 13 | Waak over jezelf dat je niet je opgangsgaven laat opgaan in elk oord dat je ziet;
| |
| 14 | nee, alleen in het oord dat de Ene zal kiezen uit één van je stammen, dáár laat je je opgangsgaven opgaan,- dáár zul je doen al wat ik je gebied.
| |
| 15 | Maar wel mag je met alle graagte van je ziel slachtofferen en vlees eten, al naar de Ene, je God, je zegen heeft gegeven in al je poorten; de besmette en de reine, ze mogen het eten, net zoals ook de gazelle en het hert (worden gegeten).
| |
| 16 | Maar het bloed zult ge niet eten: over het aardland zult ge dat uitgieten, als water.
| |
| 17 | Het is onmogelijk voor je om binnen je poorten te eten de tiende van je koren, je most en je boomolie, of de eerstelingen van je rundvee en je wolvee,- of welk ook van de geloften die je belooft of van je spontane gaven en de heffing van je hand.
| |
| 18 | Nee, alleen voor het aanschijn van de Ene, je God, zul je die eten, in het oord dat de Ene, die God is over jou, uitkiest; jij, je zoon, je dochter, je dienaar en je dienstmaagd, en de Leviet binnen je poorten; verheugen zul je je dan voor het aanschijn van de Ene, je God, over al wat je hand heeft aangevat.
| |
| 19 | Waak over jezelf dat je de Leviet niet alleen laat,- al je dagen op jouw –rode– grond. ••
| |
| 20 | Wanneer de Ene, je God, je gebied verruimt zoals hij je heeft toegezegd, en jij zult zeggen: ik wil wel vléés eten!, omdat je ziel graag vlees zou eten,- eet dan met alle graagte van je ziel vlees!
| |
| 21 | Wanneer het te ver bij jou vandaan is, het oord dat de Ene, die God is over jou, zal verkiezen om dáár zijn naam te vestigen, slachtofferen zul je dan van je rundvee en van je wolvee dat de Ene je gegeven heeft zoals ik je geboden heb; eten zul je dan binnen je poorten met alle gretigheid van je ziel.
| |
| 22 | Maar: zoals de gazelle of het hert wordt gegeten, zó zul je het eten; de besmette en de reine,- beiden mogen ze het eten.
| |
| 23 | Alleen: wees zo sterk om niet het blóed te eten, want het bloed, dat is de zíel: eet niet de ziel op met het vlees!
| |
| 24 | Eet die nooit,- over het aardland moet je het uitgieten, als water.
| |
| 25 | Eet het nooit, opdat het jou en je zonen ná jou goed zal gaan wanneer je doet wat juist is in de ogen van de Ene.
| |
| 26 | Alleen heiligdomsgaven van jou die van jou zijn en door jou beloofde zaken: draag die mee, en ben je aangekomen bij het oord dat de Ene zal verkiezen,
| |
| 27 | klaarmaken zul je dan als opgangsgaven van jou het vlees en het bloed op het altaar van de Ene, je God: het bloed van je slachtoffers zul je uitgieten over het altaar van de Ene, je God, en het vlees mag je eten.
| |
| 28 | Waakzaam zul je bewaken al deze woorden die ik je gebied; opdat het jou en je zonen ná jou goed ga tot in eeuwigheid, omdat je doet wat goed is en juist in de ogen van de Ene, je God. ••
| |
| 29 | Wanneer de Ene, je God, de volkeren waar jij nu aankomt om ze te onterven wegmaait voor je aanschijn en jij ze onterfd zult hebben en gezeten zult zijn op hun land,
| |
| 30 | waak dan over jezelf dat je je niet verstrikt, hen achterna, nadat zij zijn verdelgd voor je aanschijn,- en dat je niet hun goden opzoekt, zeggend: hoe dienen deze volkeren hun goden!- zo wil ik het óók doen!
| |