Instellingen

1


Dit zijn de inzettingen en de rechtsregels,

die ge zult bewaken om te doen
in het land
dat de Ene, de God van je vaderen,
   heeft gegeven aan jou
   om het te beërven,-

al de dagen
dat gij op de –rode– grond leeft.

2


Laten verdwijnen, ja verdwijnen,
   zult ge al de oorden

waar de volkeren die ge gaat onterven
hun goden hebben gediend:
op de rijzige bergen, op de heuvels
en onder elke altijd-groene boom.

3


Omverhalen zult ge hun altaren,

stukbreken hun standstenen,
hun asjéra’s zult ge verbranden in het vuur
en de kapkoppen van hun goden omhakken:
hun naam zult ge laten verdwijnen
uit dat oord!

4


Niet als zij zult ge doen

voor de Ene die God-over-u is!

5


Nee, alleen naar het oord

dat de Ene, uw God, zal kiezen
   uit een van al uw stammen

om dáár zijn naam te vestigen,-
naar zíjn woning zult ge vragen
   en dáárheen zul je komen.

6


Dáárheen zult ge doen komen

uw opgangsgaven en uw offeranden,
uw tienden
en de heffing van uw hand;
uw beloofde gaven en uw spontane gaven,
en de eerstelingen
   van uw rundvee en uw wolvee.