Dit zijn de inzettingen en de rechtsregels, die ge zult bewaken om te doen in het land dat de Ene, de God van je vaderen, heeft gegeven aan jou om het te beërven,- al de dagen dat gij op de –rode– grond leeft.
Laten verdwijnen, ja verdwijnen, zult ge al de oorden waar de volkeren die ge gaat onterven hun goden hebben gediend: op de rijzige bergen, op de heuvels en onder elke altijd-groene boom.
3
Omverhalen zult ge hun altaren, stukbreken hun standstenen, hun asjéra’s zult ge verbranden in het vuur en de kapkoppen van hun goden omhakken: hun naam zult ge laten verdwijnen uit dat oord!
4
Niet als zij zult ge doen voor de Ene die God-over-u is!
5
Nee, alleen naar het oord dat de Ene, uw God, zal kiezen uit een van al uw stammen om dáár zijn naam te vestigen,- naar zíjn woning zult ge vragen en dáárheen zul je komen.
6
Dáárheen zult ge doen komen uw opgangsgaven en uw offeranden, uw tienden en de heffing van uw hand; uw beloofde gaven en uw spontane gaven, en de eerstelingen van uw rundvee en uw wolvee.