Instellingen

1


Heel het woord

dat ik u gebied,
dat zult ge waakzaam dóen;
voeg er niet bij
en schraap er niet vanaf!

2


Wanneer opstaat in je kring: een profeet* In veel vertalingen begint hier hoofdstuk 13.

of een dromer van een droom,-
hij gaf aan jou een teken of een wonder

3


en uitgekomen is het teken of het wonder

waarvan hij tot jou heeft gesproken,-
   en hij zegt:

laten we verdergaan
achter andere goden aan, die ge niet kent,
en laten we hén dienen!,

4


hoor niet

naar de woorden van die profeet
of naar de dromer van die droom;
want, op de proef stelt
de Ene, uw God, u dan
om te weten
of ge liefhebt, de Ene, uw God,
met heel uw hart en met heel uw ziel!

5


Achter de Ene zult ge voortgaan
   en hém vrezen;

zíjn geboden zult ge bewaken
   en naar zíjn stem horen,

hém zult ge dienen
   en aan hém zult ge u hechten!

6


En die profeet,

of die droom-dromer,
   hij moet worden gedood,

omdat hij heeft gesproken van afval,
tegen de Ene, uw God, in
   die u heeft uitgeleid
   uit het land van Egypte,

en die je heeft losgekocht uit het dienaarshuis,-
en dat om je af te drijven van de weg
waarop de Ene, je God,
   je heeft geboden te gaan;

wegbranden zul je dit kwaad uit je kring!

7


Wanneer men je mee wil lokken,-

je broer, je moeders zoon,
   of je eigen zoon of je dochter
   of de vrouw van je schoot

of je naaste die je is als je eigen ziel,-
verhuld, door te zeggen:
laten we meegaan,
laten we goden die ánders zijn dienen!-
die je nooit gekend hebt,
jijzelf noch je vaderen,

8


uit de goden van de gemeenschappen

die je omringen,
die je nabij zijn
of die ver van je af staan,-
van de ene rand van het aardland
   tot aan de andere rand van het aardland: