Instellingen

1


Zonen-en-dochters zijt gij

van de Ene, uw God:
ge zult uzelf niet verminken
en tussen uw ogen
   geen kale plek maken voor een dode.

2


Want je bent een gemeenschap die heilig is

voor de Ene, je God;
jou
heeft de Ene uitgekozen
om hem tot een gemeente te wezen,
   kostbaarder

dan alle gemeenschappen
op het aanschijn van de –rode– grond.
••