En dit is de afspraak voor de kwijtschelding: kwijtschelden zal elke schuldheer de lening van zijn hand waarmee hij leende aan zijn naaste; hij mag zijn naaste, zijn broeder, niet aanmanen, want uitgeroepen is de ‘kwijtschelding voor de Ene!’
3
De buitenlander mag je aanmanen; maar wat van jou bij je broeder is zal je hand kwijtschelden.
4
Overigens zal er geen arme bij jou wezen,- want met zegen zal de Ene je zegenen in het land dat de Ene, je God, jou nu geeft als erfdeel om het te beërven,
5
alleen als je maar gehoorzaam hoort naar de stem van de Ene, je God; door waakzaam heel dit gebod te doen dat ik je heden gebied.
6
Wanneer de Ene, je God, je gezegend zal hebben zoals hij je heeft toegezegd,- dan zul je pandleningen hebben uitstaan bij vele volkeren, en jij zult niets op onderpand hoeven lenen: je zult heersen over vele volkeren en over jou zullen zij niet heersen. ••
7
Wanneer er bij jou een arme zal wezen, een van je broeders binnen één van je poorten, in je land dat de Ene, je God, je geeft,- verstok dan je hart niet en houd je hand niet dicht voor je broeder, de arme.
8
Nee, open zul je je hand voor hem openen; met pandleningen zul je hem belenen, genoeg voor zijn gebrek,- dat wat hem ontbreekt.
9
Waak over jezelf dat bij jou in het hart niet een nietswaardig woord zal opkomen dat zegt: ‘genaderd is dat jaar, het zevende, het jaar van de kwijtschelding…’ en je oog zo kwaadwillend zal worden tegen je broeder, de arme, dat je het hem niet geeft; roepen zal hij dan over jou tot de Ene, en zonde zal over jou komen!
10
Gul zul je hem geven, en laat je hart er niet kwaad over zijn als je hem geeft,- want vanwege deze afspraak zal de Ene, je God, je zegenen in al wat je doet en in elke strek van je hand.
11
Omdat er wel nooit een arme zal wegblijven uit de schoot van het land, juist dáárom gebied ik het je en zeg ik: open zul je je hand voor je broeder openen, voor de berooide bij jou en de arme bij jou in je land! ••