Instellingen

14


Wanneer je aankomt in het land

dat de Ene, je God, je gaat geven
en je het beërfd hebt en erin zetelt,-
en je zult dan zeggen:
ik wil over mij aanstellen een koning
zoals alle volkeren die mij omringen,

15


stel dan bij de aanstelling
   een koning over je aan

voor wie de Ene, je God, zal kiezen;
uit de kring van je broeders
zul je over jou een koning aanstellen;
het staat je niet vrij
over jou iemand macht te geven
   die je vreemd is,

die niet een broeder van je is.

16


Alleen

mag hij zich niet
   een menigte paarden verschaffen,

hij mag de manschap niet
   doen terugkeren naar Egypte

om een menigte paarden te krijgen;
de Ene heeft tot u gezegd:
ge zult niet meer
terugkeren over deze weg, niet nóg eens!

17


En hij mag zich niet
   een menigte vrouwen verschaffen,

zijn hart mag niet afwijken;
en zilver en goud
moet hij niet al te zeer vermeerderen.

18


En zal het geschieden dat hij gezeten is

op de troon van zijn koninkrijk,-
uitschrijven zal hij zich dan
een afschrift van dit onderricht op een rol,
vanaf die voor het aanschijn van de priesters,
   de Levieten.

19


Zij zal altijd bij hem wezen,

en hij zal daarin lezen
   al de dagen van zijn leven;

opdat hij zal leren
om ontzag te hebben voor de Ene,
   God-over-hem,

om alle uitspraken
van dit onderricht en deze inzettingen
   te bewaken en ze te doen,

20


en opdat zijn hart zich niet zal verheffen
   boven zijn broeders

en hij van het gebod niet zal afwijken
   rechts of links;

opdat hij de dagen zal verlengen
   van zijn koningschap
   -hijzelf en zijn zonen-
   in Israëls kring.

••