Wanneer je aankomt in het land dat de Ene, je God, je gaat geven en je het beërfd hebt en erin zetelt,- en je zult dan zeggen: ik wil over mij aanstellen een koning zoals alle volkeren die mij omringen,
stel dan bij de aanstelling een koning over je aan voor wie de Ene, je God, zal kiezen; uit de kring van je broeders zul je over jou een koning aanstellen; het staat je niet vrij over jou iemand macht te geven die je vreemd is, die niet een broeder van je is.
16
Alleen mag hij zich niet een menigte paarden verschaffen, hij mag de manschap niet doen terugkeren naar Egypte om een menigte paarden te krijgen; de Ene heeft tot u gezegd: ge zult niet meer terugkeren over deze weg, niet nóg eens!
17
En hij mag zich niet een menigte vrouwen verschaffen, zijn hart mag niet afwijken; en zilver en goud moet hij niet al te zeer vermeerderen.
18
En zal het geschieden dat hij gezeten is op de troon van zijn koninkrijk,- uitschrijven zal hij zich dan een afschrift van dit onderricht op een rol, vanaf die voor het aanschijn van de priesters, de Levieten.
19
Zij zal altijd bij hem wezen, en hij zal daarin lezen al de dagen van zijn leven; opdat hij zal leren om ontzag te hebben voor de Ene, God-over-hem, om alle uitspraken van dit onderricht en deze inzettingen te bewaken en ze te doen,
20
en opdat zijn hart zich niet zal verheffen boven zijn broeders en hij van het gebod niet zal afwijken rechts of links; opdat hij de dagen zal verlengen van zijn koningschap -hijzelf en zijn zonen- in Israëls kring. ••