Instellingen

1


Er zal voor de levitische priesters,-

heel de stam van Levi,
   géén aandeel of erfdeel bij Israël zijn;

van de vuurgaven voor de Ene
   en zíjn erfgoed zullen ze eten.

2


Maar een erfdeel zal er voor hem niet bij zijn
   in de kring van zijn broeders;

de Ene, díe is zijn erfdeel,
zoals hij hem heeft toegezegd.
••

3


Dít dan

zal het recht der priesters zijn
   ten opzichte van de gemeente,

ten opzichte van wie een offerdier offeren,
   als het een rund is of een schaap:

geven zal men aan de priester
de voorpoot, de wangen en de pens.

4


Het eerste van je koren, je most
   en je boomolie

en het eerste scheersel van je wolvee
geef je aan hém.

5


Want hem

heeft de Ene, je God,
   uit al je stammen gekozen,-

om te staan, om eredienst te doen
   bij de naam van de Ene,
   hij en zijn zonen, al de dagen.

••

6


Wanneer de Leviet aankomt
   uit één van je poorten uit heel Israël

daar waar hij zwerver-te-gast is,-
komen mag hij met alle gulzigheid
   van zijn ziel

in het oord dat de Ene zal verkiezen.

7


Eredienst doen zal hij dan

bij de naam van de Ene, zijn God,-
zoals al zijn broeders, de Levieten
die daar staan voor het aanschijn van de Ene.

8


Deel-en-zelfde-deel zullen ze eten,-

ongeacht wat hij verkocht heeft
   van bij de vaderen.

••

9


Wanneer jíj aankomt in het land

dat de Ene, je God, je geeft,-
leer jezelf dan niet
om de gruwelen van die volkeren
   na te doen!

10


Laat er bij jou niemand worden gevonden

die zijn zoon of dochter
   door het vuur laat gaan;

die waarzeggingen zegt,
die wolken wichelt, slangen kijkt
   of giftige magie bedrijft;

11


die met banspreuken bant,-

die een schim uitvraagt, een ‘allesweter’,
of iemand die het zoekt bij de gestorvenen.

12


Want een gruwel voor de Ene
   is ieder die deze dingen doet;

en vanwege deze gruwelen
gaat de Ene, je God,
hen nu onterven voor jouw aanschijn.

13


Een gaaf geheel zul je wezen

met de Ene, je God!
••

14


Want deze volkeren

die jij nu gaat onterven,-
aan wolkenwichelaars en waarzeggers
   geven zij gehoor;

maar jij:
zulke zaken
heeft de Ene, je God, jou niet gegeven!

15


Een profeet uit je kring, uit je broeders,
   zoals ik,

zal de Ene, je God, voor jou doen opstaan;
naar hem zult ge horen!-

16


geheel naar wat je gevraagd hebt
   van de Ene, je God, bij Horeb,

op de dag van de vergadering, toen je zei:
ik kan niet langer
horen de stem van de Ene, mijn God,
en dit grote vuur moet ik niet nóg eens zien,
   wil ik niet sterven!

17


Toen zei de Ene tot mij:

ze doen góed met wat ze gesproken hebben:

18


een profeet zal ik voor hen doen opstaan
   uit de kring van hun broeders, zoals jij;

geven zal ik mijn uitspraken in zíjn mond,
spreken zal hij dan tot hen
al wat ik hem zal gebieden.

19


En het zal geschieden:

de man die niet hoort naar mijn uitspraken
welke hij zal spreken in mijn naam,-
zelf zal ik het van hem terugvragen!

20


Echter, de profeet

die zo onbekookt is
   om een woord te spreken in mijn naam

dat ik hem niet geboden heb te spreken,
of die zal spreken
in de naam van andere goden,-
stérven zal hij, die profeet!

21


Stel, je zegt in je hart:

hoe kunnen we het spreken onderkennen
dat niet door de Ene is gesproken?-

22


wanneer de profeet
   wel spreekt in de naam van de Ene

maar het gesprokene
   geschiedt niet en komt niet uit,

dan is dát de sprake
die níet door de Ene is gesproken;
in onbekooktheid heeft de profeet
   gesproken,-

wees er niet beducht voor.
••