Er zal voor de levitische priesters,- heel de stam van Levi, géén aandeel of erfdeel bij Israël zijn; van de vuurgaven voor de Ene en zíjn erfgoed zullen ze eten.
Maar een erfdeel zal er voor hem niet bij zijn in de kring van zijn broeders; de Ene, díe is zijn erfdeel, zoals hij hem heeft toegezegd. ••
3
Dít dan zal het recht der priesters zijn ten opzichte van de gemeente, ten opzichte van wie een offerdier offeren, als het een rund is of een schaap: geven zal men aan de priester de voorpoot, de wangen en de pens.
4
Het eerste van je koren, je most en je boomolie en het eerste scheersel van je wolvee geef je aan hém.
5
Want hem heeft de Ene, je God, uit al je stammen gekozen,- om te staan, om eredienst te doen bij de naam van de Ene, hij en zijn zonen, al de dagen. ••
6
Wanneer de Leviet aankomt uit één van je poorten uit heel Israël daar waar hij zwerver-te-gast is,- komen mag hij met alle gulzigheid van zijn ziel in het oord dat de Ene zal verkiezen.
7
Eredienst doen zal hij dan bij de naam van de Ene, zijn God,- zoals al zijn broeders, de Levieten die daar staan voor het aanschijn van de Ene.
8
Deel-en-zelfde-deel zullen ze eten,- ongeacht wat hij verkocht heeft van bij de vaderen. ••