Instellingen

1


Wanneer

de Ene, je God, de volkeren wegmaait
wier land de Ene, je God,
nu geeft aan jou,-
en jij ze hebt onterfd
en zetelen zult in hun steden
   en in hun huizen,

2


drie steden zul je je dan afzonderen

in dat land van jou
dat de Ene, je God,
je geeft om het te beërven.

3


Bereid, jij,

de weg,
en deel dan in drieën: het gebied van je land
dat de Ene, je God, je zal toedelen;
en het zal geschieden
dat dáárheen elke doodslager kan vluchten.

4


Dit is het woord over de doodslager

die daarheen zal vluchten
   en mag blijven leven:

wanneer iemand
   zijn naaste een doodsklap geeft
   zonder het te weten,

terwijl hij hem geen haat toedroeg
   gister en eergister;

5


wanneer iemand
   met zijn naaste in het woud komt

om bomen te kappen:
zijn hand zwaait met de bijl
   om de boomstam door te hakken,-

het ijzer schiet van de steel
en treft zijn naaste zo dat die sterft:
hij
mag vluchten naar één van deze steden
   en blijven leven.

6


Anders zal de losser van het bloed
   de doodslager najagen

omdat zijn hart
verhit raakt,
en zal hij hem inhalen
   omdat de weg te lang is,

en een levende ziel een doodsklap geven,-
terwijl voor hem geen recht
   om te doden geldt,

omdat hij hem geen haat toedroeg,
   gister en eergister.

7


Daarom gebied ik je en zeg ik:

drie steden zul jij, ja jij, afzonderen!
••

8


Als de Ene, je God,

je gebied zal verruimen,
zoals hij heeft gezworen aan je vaderen,
en hij je zal geven heel het land
dat hij aan je vaderen
   heeft toegezegd te geven,

9


wanneer je, door het te doen,
   heel dit gebod bewaakt

dat ik je gebied
vandaag:
om lief te hebben
de Ene, je God, en in zijn wegen
   te wandelen,
   al de dagen,-

toevoegen zul jij, ja jij,
   dan nog eens drie steden

aan deze drie:

10


onschuldig bloed zal er niet
   worden vergoten

in het midden van je land
dat de Ene, je God,
je geeft ten erfdeel,-
anders zal er over jou bloedschuld wezen!
••

11


Maar stel, een man is al een hater
   van zijn naaste,

hij loert op hem, staat ineens voor hem
en slaat hem zo op z’n ziel dat hij sterft,-
en hij vlucht
naar een van deze steden:

12


de oudsten van zijn stad
   zullen bericht zenden

en hem van daar weghalen;
ze zullen hem overgeven
in de hand van de bloedlosser zodat hij sterft.

13


Laat je oog hem niet verschonen:

‘bloed van de onschuldige’,
   wegbranden zul je dat uit Israël,
   dan zal het je goed gaan.

••