| 1 | Wanneer je ten oorlog uittrekt tegen je vijand en je ziet dan paardenmacht en wagenpark, en een manschap talrijker dan jij, vrees níet voor hen; want de Ene, je God, is met je, die je heeft doen opklimmen uit het land van Egypte.
| |
| 2 | Geschieden zal het: als ge het oorlogsterrein nadert, aantreden zal dan de priester en spreken tot de manschap.
| |
| 3 | Zeggen zal hij tot hen: hóór Israël!, ge zijt heden genaderd tot de oorlog tegen uw vijanden; laat uw hart niet week worden, vreest niet, hebt geen angst en siddert niet voor hun aanschijn!
| |
| 4 | Want de Ene, uw God, is het die voortgaat met u mee,- om voor u oorlog te voeren met uw vijanden, om ú te redden!
| |
| 5 | Spreken zullen dan de gerechtsdienaren tot de manschap en zeggen: wíe is de man die een nieuw huis gebouwd heeft en het nog niet heeft betrokken?- die moet gáán en terugkeren naar zijn huis; anders zal hij sterven in de oorlog en zal een andere man het betrekken!-
| |
| 6 | en wie is de man die een wijngaard heeft geplant en niet ingewijd?- die moet gáán en terugkeren naar zijn huis; anders zal hij sterven in de oorlog en wijdt een andere man hem in!-
| |
| 7 | en wie is de man die zich een vrouw verloofd heeft en haar nog niet heeft meegenomen?- die moet gaan en terugkeren naar zijn huis; anders zal hij sterven in de oorlog en neemt een andere man haar mee!
| |
| 8 | Dan gaan de gerechtsdienaren verder met te spreken tot de manschap; zeggen zullen ze: wíe is de man die vreesachtig is en week van hart?- die moet gáán en terugkeren naar zijn huis: dan laat hij niet het hart van zijn broeders smelten zoals zijn eigen hart!
| |
| 9 | Geschieden zal het, als de gerechtsdienaren alles hebben uitgesproken tot de manschap: legeroversten zullen de zorg overnemen aan het hoofd van de manschap. ••
| |
| 10 | Wanneer je een stad nadert om tegen haar oorlog te voeren,- roepen zul je dan tot haar ‘voor vrede!’
| |
| 11 | Geschieden zal het: als ze je met ‘vrede!’ antwoordt en open doet voor jou,- geschieden zal het: heel de manschap die daarin wordt aangetroffen, die zullen jou toevallen voor de dwangarbeid,- dienstbaar zullen ze je zijn.
| |
| 12 | En als ze geen vrede met jou sluit maar oorlog met je voert,- beleger haar dan.
| |
| 13 | Geven zal de Ene, je God, haar in jouw hand; slaan zul jij al wat er aan mannelijks in haar is met de bek van het zwaard.
| |
| 14 | Maar de vrouwen, het kroost, het vee en al wat er in de stad aanwezig is, heel haar buit, mag je meeroven voor jezelf; eten mag je van de buit van je vijanden welke de Ene, je God, je heeft gegeven.
| |
| 15 | Zó zul je doen met al de steden die heel ver bij jou vandaan zijn,- die niet horen tot de steden van deze volkeren hier.
| |
| 16 | Maar: uit de steden van deze gemeenschappen welke de Ene, je God, aan jou zal prijsgeven als erfdeel,- zul je geen enkele ademhaling in leven laten.
| |
| 17 | Nee, bannen, met de banvloek slaan zul je ze: de Chitiet, de Amoriet, de Kanaäniet en de Periziet, de Chiviet en de Jeboesiet,- zoals jou geboden heeft de Ene, je God.
| |
| 18 | Met het doel dat ze u niet zullen leren doen naar al hún gruweldaden, die zij hebben gedaan voor hun goden; zondigen zult ge dan tegen de Ene, uw God. ••
| |
| 19 | Wanneer je een stad vele dagen lang moet belegeren om, door oorlog tegen haar te voeren, haar in de greep te krijgen, verniel dan niet haar geboomte door de bijl daarin te slaan, want daarvan moet je éten, dat moet je niet afkappen; want is hij soms een –rode– mens, de boom op het veld, dat hij bij de belegering in jouw blikveld moet komen?
| |
| 20 | Alleen een boom waarvan je weet dat hij geen boom is om van te eten, die mag je vernielen, afkappen,- en er een belegering mee opbouwen tegen de stad die met jou een oorlog is aangegaan,- totdat ze ondergaat. •
| |