Instellingen

1


Wanneer je ten oorlog uittrekt

tegen je vijand
en je ziet dan paardenmacht en wagenpark,
   en een manschap talrijker dan jij,

vrees níet voor hen;
want de Ene, je God, is met je,
die je heeft doen opklimmen
   uit het land van Egypte.

2


Geschieden zal het:

als ge het oorlogsterrein nadert,
aantreden zal dan de priester
   en spreken tot de manschap.

3


Zeggen zal hij tot hen: hóór Israël!,

ge zijt heden genaderd
   tot de oorlog tegen uw vijanden;

laat uw hart niet week worden,
vreest niet, hebt geen angst
   en siddert niet voor hun aanschijn!

4


Want de Ene, uw God, is het die voortgaat
   met u mee,-

om voor u oorlog te voeren met uw vijanden,
   om ú te redden!

5


Spreken zullen dan de gerechtsdienaren

tot de manschap en zeggen:
wíe is de man
die een nieuw huis gebouwd heeft
   en het nog niet heeft betrokken?-

die moet gáán en terugkeren naar zijn huis;
anders zal hij sterven in de oorlog
en zal een andere man het betrekken!-

6


en wie is de man

die een wijngaard heeft geplant
   en niet ingewijd?-

die moet gáán en terugkeren naar zijn huis;
anders zal hij sterven in de oorlog
en wijdt een andere man hem in!-

7


en wie is de man

die zich een vrouw verloofd heeft
   en haar nog niet heeft meegenomen?-

die moet gaan en terugkeren naar zijn huis;
anders zal hij sterven in de oorlog
en neemt een andere man haar mee!

8


Dan gaan de gerechtsdienaren verder

met te spreken tot de manschap;
zeggen zullen ze:
wíe is de man die vreesachtig is
   en week van hart?-

die moet gáán en terugkeren naar zijn huis:
dan laat hij niet het hart van zijn broeders
   smelten zoals zijn eigen hart!

9


Geschieden zal het,
   als de gerechtsdienaren alles
   hebben uitgesproken
   tot de manschap:

legeroversten zullen de zorg overnemen
   aan het hoofd van de manschap.

••