Wanneer je ten oorlog uittrekt tegen je vijand en je ziet dan paardenmacht en wagenpark, en een manschap talrijker dan jij, vrees níet voor hen; want de Ene, je God, is met je, die je heeft doen opklimmen uit het land van Egypte.
Geschieden zal het: als ge het oorlogsterrein nadert, aantreden zal dan de priester en spreken tot de manschap.
3
Zeggen zal hij tot hen: hóór Israël!, ge zijt heden genaderd tot de oorlog tegen uw vijanden; laat uw hart niet week worden, vreest niet, hebt geen angst en siddert niet voor hun aanschijn!
4
Want de Ene, uw God, is het die voortgaat met u mee,- om voor u oorlog te voeren met uw vijanden, om ú te redden!
5
Spreken zullen dan de gerechtsdienaren tot de manschap en zeggen: wíe is de man die een nieuw huis gebouwd heeft en het nog niet heeft betrokken?- die moet gáán en terugkeren naar zijn huis; anders zal hij sterven in de oorlog en zal een andere man het betrekken!-
6
en wie is de man die een wijngaard heeft geplant en niet ingewijd?- die moet gáán en terugkeren naar zijn huis; anders zal hij sterven in de oorlog en wijdt een andere man hem in!-
7
en wie is de man die zich een vrouw verloofd heeft en haar nog niet heeft meegenomen?- die moet gaan en terugkeren naar zijn huis; anders zal hij sterven in de oorlog en neemt een andere man haar mee!
8
Dan gaan de gerechtsdienaren verder met te spreken tot de manschap; zeggen zullen ze: wíe is de man die vreesachtig is en week van hart?- die moet gáán en terugkeren naar zijn huis: dan laat hij niet het hart van zijn broeders smelten zoals zijn eigen hart!
9
Geschieden zal het, als de gerechtsdienaren alles hebben uitgesproken tot de manschap: legeroversten zullen de zorg overnemen aan het hoofd van de manschap. ••