Instellingen

10


Wanneer je een stad nadert

om tegen haar oorlog te voeren,-
roepen zul je dan tot haar ‘voor vrede!’

11


Geschieden zal het:
   als ze je met ‘vrede!’ antwoordt

en open doet voor jou,-
geschieden zal het:
heel de manschap
   die daarin wordt aangetroffen,

die zullen jou toevallen
   voor de dwangarbeid,-
   dienstbaar zullen ze je zijn.

12


En als ze geen vrede met jou sluit

maar oorlog met je voert,-
beleger haar dan.

13


Geven zal de Ene, je God,
   haar in jouw hand;

slaan zul jij al wat er aan mannelijks
   in haar is
   met de bek van het zwaard.

14


Maar de vrouwen, het kroost, het vee
   en al wat er in de stad aanwezig is,
   heel haar buit,
   mag je meeroven voor jezelf;

eten mag je van de buit van je vijanden
welke de Ene, je God, je heeft gegeven.

15


Zó zul je doen met al de steden

die heel ver bij jou vandaan zijn,-
die niet horen tot de steden
   van deze volkeren hier.

16


Maar:

uit de steden van deze gemeenschappen
welke de Ene, je God,
aan jou zal prijsgeven als erfdeel,-
zul je geen enkele ademhaling in leven laten.

17


Nee, bannen,
   met de banvloek slaan zul je ze:

de Chitiet, de Amoriet, de Kanaäniet
   en de Periziet,

de Chiviet en de Jeboesiet,-
zoals jou geboden heeft de Ene, je God.

18


Met het doel

dat ze u niet zullen leren doen
naar al hún gruweldaden,
die zij hebben gedaan voor hun goden;
zondigen zult ge dan tegen de Ene, uw God.
••

19


Wanneer je een stad
   vele dagen lang moet belegeren
   om, door oorlog tegen haar te voeren,
   haar in de greep te krijgen,

verniel dan niet haar geboomte
   door de bijl daarin te slaan,

want daarvan moet je éten,
dat moet je niet afkappen;
want is hij soms een –rode– mens,
   de boom op het veld,

dat hij bij de belegering
   in jouw blikveld moet komen?

20


Alleen

een boom waarvan je weet
dat hij geen boom is om van te eten,
die mag je vernielen, afkappen,-
en er een belegering mee opbouwen
tegen de stad
   die met jou een oorlog is aangegaan,-
   totdat ze ondergaat.