Stel, er is bij iemand een zoon die lastig en weerspannig is; hij hoort niet naar de stem van zijn vader en de stem van zijn moeder; ze kastijden hem maar hij hoort niet naar hen,-
vastgrijpen zullen hem zijn vader en zijn moeder; naar buiten brengen zullen ze hem naar de oudsten van zijn stad, naar de poort van zijn woonoord;
20
zeggen zullen ze dan tot de oudsten van zijn stad: deze zoon van ons is lastig en weerspannig, hij hoort niet naar onze stem,- een slemper en een drinker!
21
Alle oudsten van zijn stad zullen hem met stenen gooien totdat hij dood is; wegbranden zul je het kwaad uit je kring: heel Israël, ze zullen het horen en vrezen! ••
22
En stel, er geschiedt door iemand een zonde waarop de doodstraf staat en hij is ter dood gebracht,- en je hebt hem opgehangen aan een paal:
23
laat dan zijn lijk niet overnachten aan de paal; want begraven, ja begraven zul je hem op diezelfde dag, want een gehangene is een vervloeking van God; je zult je –rode– grond welke de Ene, je God, je als erfdeel geeft, niet verontreinigen! ••