Als je broeder niet in je nabijheid woont en je hem niet kent,- haal het dan je huis binnen; het zal bij jou zijn totdat je broeder het komt zoeken, en dan breng je het hem terug.
3
Zo zul je doen met zijn ezel, zo zul je doen met zijn mantel, zo zul je doen met al wat je broeder verliest,- dat bij hem verloren raakt en dat jij zult vinden; het is je niet toegestaan om je te verbergen! ••
4
Je zult niet de ezel van je broeder of zijn os zien neervallen onderweg en je dan voor hen verbergen; opstaan, doe hen opstaan, samen met hem! ••
5
Laat er geen wapen van een kerel wezen over een vrouw en laat een kerel zich niet kleden met de mantel van een vrouw,- want een gruwel voor de Ene, je God, is al wie zulke dingen doet. •
6
Wanneer er een vogelnest opduikt voor je aanschijn, onderweg, in welke boom dan ook, of op het land, met kleintjes of eieren, en de moeder broedend op de kleintjes of op de eieren,- neem dan bij de jongen niet de moeder mee!
7
Loslaten, je zult de moeder loslaten en de jongen zul je voor jezelf meenemen; opdat het je goed zal gaan en je je dagen zult verlengen. ••
8
Wanneer je een nieuw huis bouwt, maak dan een borstwering aan je dak; dan breng je geen bloedschuld over je huis wanneer iemand die valt eraf valt. ••
9
Je zult je wijngaard niet bezaaien met tweeërlei-dooreen; anders wordt ontheiligd de volle maat van het zaad dat je zaait en de opbrengst van de wijngaard. ••
10
Je zult niet ploegen met een os en de ezel aanéén. ••
11
Trek geen kleed van mengstof aan: wol en linnen dooréén. ••
12
Kwasten zul je je maken,- aan de vier vleugels van het dekkleed waarmee je je bedekt. ••