Instellingen

1


Je zult niet de os van je broeder

of zijn schaap zien dwalen
en je dan voor hen verbergen;
terug, ja terugbrengen zul je ze
   naar je broeder!

2


Als je broeder niet in je nabijheid woont
   en je hem niet kent,-

haal het dan je huis binnen;
het zal bij jou zijn
totdat je broeder het komt zoeken,
en dan breng je het hem terug.

3


Zo zul je doen met zijn ezel,

zo zul je doen
met zijn mantel,
zo zul je doen
met al wat je broeder verliest,-
   dat bij hem verloren raakt
   en dat jij zult vinden;

het is je niet toegestaan
   om je te verbergen!

••

4


Je zult niet de ezel van je broeder
   of zijn os zien neervallen onderweg

en je dan voor hen verbergen;
opstaan, doe hen opstaan,
   samen met hem!

••

5


Laat er geen wapen van een kerel
   wezen over een vrouw

en laat een kerel zich niet kleden
   met de mantel van een vrouw,-

want een gruwel voor de Ene, je God,
   is al wie zulke dingen doet.

6


Wanneer er een vogelnest
   opduikt voor je aanschijn,

onderweg, in welke boom dan ook,
   of op het land,

met kleintjes of eieren,
en de moeder broedend op de kleintjes
of op de eieren,-
neem dan bij de jongen
   niet de moeder mee!

7


Loslaten, je zult de moeder loslaten

en de jongen zul je voor jezelf meenemen;
opdat het je goed zal gaan
en je je dagen zult verlengen.
••

8


Wanneer je een nieuw huis bouwt,

maak dan een borstwering aan je dak;
dan breng je geen bloedschuld over je huis
wanneer iemand die valt eraf valt.
••

9


Je zult je wijngaard niet bezaaien met
   tweeërlei-dooreen;

anders wordt ontheiligd
de volle maat van het zaad dat je zaait
en de opbrengst van de wijngaard.
••

10


Je zult niet ploegen
   met een os en de ezel aanéén.

••

11


Trek geen kleed van mengstof aan:

wol en linnen dooréén.
••

12


Kwasten zul je je maken,-

aan de vier vleugels
   van het dekkleed waarmee je je bedekt.

••