| 10 | Wanneer je als legerkamp uittrekt tegen je vijanden,- wacht je dan voor elke kwade zaak.
| |
| 11 | Wanneer er bij jou een man zal wezen die niet rein zal wezen vanwege een nachtelijk gebeuren: uittrekken zal hij naar buiten de legerplaats,- hij mag de legerplaats niet binnenkomen.
| |
| 12 | Zo zal het wezen: tegen het wenden van de avond zal hij zich wassen in het water, en met dat de zon thuiskomt zal hij binnenkomen in de legerplaats.
| |
| 13 | Een handigheid moet er ook voor je wezen,- buíten de legerplaats: er-even-uitgaan doe je dáárheen, buiten;
| |
| 14 | en een pootschopje moet er voor jou bij je wapenrusting wezen; zo zal het wezen: als je buiten gaat zitten graaf je daarmee een gat,- en keer je terug, dan bedek je je uitwerpsel.
| |
| 15 | Want de Ene, God-over-jou, gaat rond in je legerplaats om je te redden en je vijanden over te geven aan je aanschijn, dus zal je legerplaats heilig wezen,- zodat hij bij jou geen ding naakt hoeft te zien en zou omkeren, achter jou vandaan. ••
| |
| 16 | Nooit zul je een dienstknecht uitleveren aan zijn heer,- als hij bij jou redding zoekt van zijn heer.
| |
| 17 | Bij jou mag hij zetelen, in jouw kring, in het oord dat hij zal uitkiezen in een van je poorten naar wat hem goeddunkt; je mag hem niet onder druk zetten. ••
| |
| 18 | Nooit mag een heiligdomshoer er één wezen uit Israëls dochters,- nooit zal een heiligdomsknaap er één wezen uit Israëls zonen:
| |
| 19 | nooit zul je hoerenloon of hondengeld brengen in het huis van de Ene, je God, voor welke gelofte dan ook; want een gruwel voor de Ene, je God, zijn ze allebei.
| |
| 20 | Nooit zul je aan een broeder van je opleggen rente over geld, rente over eten,- rente over welk ding ook waarover men rente eist.
| |
| 21 | Aan de vreemdeling mag je rente opleggen maar aan je broeder mag je geen rente opleggen: opdat de Ene, je God, je zal zegenen in elke strek van je hand op het land waar je aankomt om het te beërven. ••
| |
| 22 | Wanneer je een gelofte belooft aan de Ene, je God, zul je niet achterblijven om die te voldoen,- want eisen en opeisen zal de Ene, je God, hem van jou, er zal anders zonde wezen door jou!
| |
| 23 | Als je je onthoudt van geloftes-doen,- dan zal er ook geen zonde door jou wezen!
| |
| 24 | Wat er je lippen uitgaat zul je bewaken en zul je doen,- met dat je aan de Ene, je God, vrijwillig iets beloofd hebt, dat je hebt uitgesproken met je eigen mond. ••
| |
| 25 | Wanneer je door de wijngaard van je naaste komt mag je druiven eten totdat je ziel verzadigd is,- maar je stopt ze niet in je tas! ••
| |